De sleepsteen van de tijd

Remco Campert is vijftig jaar schrijver. Jan Wolkers zingt zijn lof. ,,U kunt van mij geen kritisch of analytisch stuk verwachten over een zo bewonderde collega.''

Het mag bijzonder chic lijken om een lofrede op een van onze belangrijkste dichters en schijvers aan te vangen met een citaat uit Ernest Hemingway's On Writing.

A man's got to take a lot of punishment to write a really funny book. Nog fraaier en diepzinniger kan men het maken door Friedrich Nietzsche aan het woord te laten.

Man ist um den Preis Künstler, dass man, was alle Nichtkünstler `Form' nennen, als Inhalt, als `die Sache selbst' empfindet.

Maar is het ook niet weerzinwekkend snobistisch. Ik zal dat dan ook niet doen, zeker niet nadat ik bladerend in Camperts De zomer van de zwarte jurkjes – een titel die overigens niet met Nietzsche en zijn verhouding met Lou Salomé te maken heeft – zoveel schitterende citaten van Remco zelf maar voor het oplepelen heb, waarvan sommige blijk geven van een profetische blik. Want wie ziet bij het gezegde Wie de kaars snuit zal hard moeten lopen niet haarscherp de televisiebeelden van het vuurwerkdrama in Enschede voor zich.

En de doorgewinterde uitspraak Als de hazen het veld verlaten zijn de rapen gaar schildert voor je geestesoog de akkers in oogsttijd waar de stank van het lijnwaad uit alle films van Jos Stelling als een druilerige mist boven lijkt te hangen. De grommende tractoren en de ruziënde rauwe stemmen van de landbouwers die tegen de kleikluiten ketsen — wat Millet zou doen huiveren tussen zijn nobele korenarenleesters — doen de hazen met hun fluwelen oren zo snel mogelijk de velden verlaten om buiten gehoorafstand van het genus mens te komen.

Heel wat pennen zijn in beroering gebracht door het spreekwoord Wie vroeg een doos koopt moet later varen. Grove naturen meenden dat de dichter het had over een amoureus avontuurtje met gevolgen waarvan de aanstichter zich zo snel mogelijk uit de voeten maakte naar de dichtstbijzijnde haven. Maar Remco Campert is er de man niet naar om over de lieflijkheid der vrouwen, per slot van rekening hebben we het over de ereboog waardoor we het leven in schieten, te spreken als over verpakkingsmateriaal. Dat zou hij beslist kut vinden om een snedige uitdrukking te bezigen die de laatste tijd tot in de beschaafdste kringen is doorgedrongen. Ik houd het erop, gesterkt door mijn studie van de plastische anatomie waar de schedel vaak een benen doos wordt genoemd waarin de hersens veilig opgeborgen liggen, dat als je die doos door je ontvankelijke kunstenaarsnatuur te vroeg vol moet laden met herinneringen en gewaarwordingen je inderdaad moet varen. Maar op een andere manier dan de geijkte. Op het scherp van de snede. Ter helle of ten hemel.

Dit was over Remco Campert als cryptogame wijsgeer. Citaten voor de vuist weg bij elkaar gesprokkeld uit een luchtig maar daarom nog geen vluchtig boekje. Zoals hij zelf zegt in een gedicht:

Ik wil wel graven

Naar poëzie, maar niet

Te diep. Je weet

Hoe ik dichter ben

Bij de gratie van

Aardoppervlak.

Als je verscheidene schrijversprentenboeken doorbladert en je bekijkt de foto's valt het je op dat de ene schrijver soms te veel en de ander te weinig vader heeft gehad. In beide gevallen moet je ermee leren schrijven.

mijn vader een verhaal

van zijn vrienden

getennist

schijnt hij zelfs te hebben

mijn vader wist niet hoe `t moest

met zijn zoon

en omgekeerd

maar zijn woede

om al het grote falen

ben ik niet vergeten.

Dat grote falen viel trouwens wel mee. Als je, zoals Jan Campert, het indrukwekkendste verzetsgedicht geschreven hebt, is dat inderdaad genoeg voor de rechtvaardiging van een bestaan.

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht,

Die aan de tralies van de al-dag rukt;

weest om uw tijdelijk lot geenszins bedrukt,

al zijn de kluisters hard, de muren hecht.

Want in de aanvang werd het u voor-gezegd,

dat het aan enkelen steeds is gelukt

het juk te breken, dat hun schouders drukt,

laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de dove sintels aan,

die zijn verdoken onder `t rokend puin;

vaart stormgelijk over de lage tuin,

die Holland heet; slaat doodlijk toe en snel,

opdat het kwaad verschrikk'lijk zal ondergaan,

o hart, mijn hart, mijn bloedrode rebel.

Maar genoeg hierover. Het gaat over zonen en niet over vaders die gedoemd zijn een bijrol te spelen in het eerste katern van het schrijversprentenboek, en als ze geluk hebben dringt hun gestalte, zij het sporadisch, door tot het tweede katern.

Ik heb de poëzie van Remco Campert leren kennen op Walcheren in de zomer van 1952. Mijn schoonouders hadden daar een buitenhuis aan de rand van de duinen waar wij de vakantie doorbrachten met mijn schoonzuster en haar man Gerard Rothuizen die net zijn studie in de godgeleerdheid beëindigd had. Toen ik hem daar voor het eerst ontmoette, ik met bloedende voetzolen van het struinen over de met zeepokken begroeide brokken brandend blind basalt van de zeehoofden, haalde hij een boekje uit zijn binnenzak te voorschijn dat naar het uiterlijk te oordelen noch de Bijbel noch de Institutio van Calvijn was. Het was Vogels vliegen toch, de eerste gedichtenbundel van Remco Campert. Hij was er zo bezeten van dat je gerust kunt zeggen dat het zijn Bijbel was geworden. De hele dag werden er Campertteksten naar mijn hoofd geslingerd.

eindelijk tijd om in het gras te liggen

in een wolk van zoetgeurend gras

en de vogels het kunst-en-vliegwerk overlaten.

Voorbij de blonde lichtvoetige woorden

die zaten aan een stalen tafel

en mandarijnen aten

later ging ik verward naar huis

ik vond ook die dag het spoor nog niet

de sleepsteen van de tijd

in het rulle zand

Als ik mijn theologische zwager wel eens plagerig vroeg of hij niet bang was, als hij het tijdelijke voor het eeuwige zou moeten verwisselen, dat hij daarop afgerekend zou worden, dat hij meer in de poëzie geïnteresseerd was dan in de heilige schrift, lachte hij maar een beetje. Misschien had hij daar ook wel gelijk in, want die jiddische potpourri zit God waarschijnlijke ook allang tot hier. Voor hem is het toch een doodvermoeiend werkschema van wat hij allemaal aan bijstand en aan wonderen te verrichten heeft. Zelfs voor een God is het aanlokkelijk om van tijd tot tijd zijn verantwoordelijkheden te vergeten.

Sommigen herinneren zich nog

hoe de nacht stierf over Golgotha

sommigen herinneren het zich

anderen niet.

Als ik het prentenboek van Remco Camperts leven doorblader zie ik tot mijn tevredenheid dat ik geen uitgave gemist heb. Voor een ellendige nietsnut staat er een respectabele rij drukwerk in mijn boekenkast. Wel zijn me een paar huwelijken en verhoudingen met vrouwen ontgaan. Ik ben dan ook geen grachtengordeldier. Als Remco een walkmanfreak was geweest had hij het wat rustiger aan kunnen doen, afgeschermd van de klagende werkelijkheid door Eric Dolphy en Lennie Tristano.

Een Chinees tussen twee etages

gevangen in een lift

ik ken geen grotere stilte.

Nu kreeg hij vaak ongezouten de Jan Steenwereld te verwerken en dat is een hard gelag.

Het begint ermee

dat je van je vrouw dingen hoort

die je absoluut niet aanstaan...

Zal ik vandaag eens iets stukmaken? Een brok

je cultuur bijvoorbeeld

maar waar vind ik dat zo gauw?

Mijn huwelijk of de bril van de hijgende tele

grambesteller....

Kijk ver weg staat Vivian nog te wuiven

alsof zij woonde

in een vriendelijk dorp

waar men peterselie kweekt.

We zien ook dat hij al heel jong bedreven was in het tekenen van cartoons. Ik heb eens iemand gehoord die hem tot een zogenaamd dubbeltalent wilde bombarderen. Remco pas op! Dat verschrikkelijke dubbeltalent! Je hebt zo de Hendrik de Vriesprijs te pakken. En dan gaat iedereen weer aanhalen hoe je de oude barstige bard, aan wiens naam de prijs verbonden is, gekapitteld hebt toen hij hoog van het gebergte blies en met bijkans heliconische diepgang de poëzie, die maar al te vaak in vodden door de stegen dwarrelt, goddelijke levensgeur en onsterfelijkheidsaroma toedichtte.

Ik hou niet van bergen

het beklimmen is nog tot daaraantoe

maar het op de top staan en vanaf het bereikte

bezien wat beneden ligt

is dodelijk vervelend en ondanks de hoogte

weinig verheffend.

Soms lucht het op om een te geëxalteerde zanger even de berg af te duwen de vallei in.

Ik moet iets bekennen. Vaak word ik ontroerd als ik langs het monument kom dat ik ter ere van Den Uyl op de brug in Zaandam heb gemaakt. Maar denk geen moment dat het om mijn eigen werk gaat. Dat zij verre van me. Als ik het glanzende stalen omhulsel rood zie kleuren van het rode glas dat de kern vormt van het beeld, komt altijd het gedicht van Remco Campert in mijn gedachten:

Drs. te Buitenveldert.

Het was een levende bende

in je huis die donkere ochtend

kinderen spoelden door de kamers

en vroegen `gaat opa al weg?'

het huis wrong van liefde

de gang wierp obstakels op

toen men je wegdroeg

de voordeur wilde klemmen

het huis liet je met moeite gaan

de dageraad kreeg kleur

toen je hem voor het laatst tegemoet ging.

Van het proza houden dat als een man op je afkomt kan een hoop gebral en zelfverheerlijking teweegbrengen. Het proza van Remco Campert vloert je als een sluipmoordenaar die les in jiu jitsu heeft gehad van Dick Bos. Je slaat een boek van hem open en hij heeft je in zijn greep. Het is lenig als Russische turnsters tijdens de vloeroefening en soepel als helmgras. Er zijn nogal wat schrijvers die je op het zadelloze stalen ros van hun bekrompen preoccupaties proberen te drukken, maar er zijn maar weinigen zoals Remco Campert die met zo'n wonderbaarlijke natuurlijkheid je dwingen om plaats te nemen op hun stokpaardje. Remco Campert is ook een van onze belangrijkste moralisten, maar op een manier dat het slachtoffer met een bedremmelde glimlach zelf het boetekleed nog wat strakker aantrekt.

Zijn werk is doorspekt met maatschappijkritiek, maar zonder een zweem van zeur- of zuurzakkerij. Zijn humor heeft het sterke pantser van de zelfspot.

Op dat moment rinkelde de telefoon en nog geen

twee minuten later was Erik Mondy lid van het

comité `Kunstenaars voor De Derde Wereld',

aan welk gezelschap een min of meer bekende

schrijver nog ontbroken had.

Met bange voorgevoelens, zichzelf om die reden

weer voor zàk uitscheldend, verliet hij z'n flat.

Waar begon hij aan? Vergaderingen, manifes

ten, voorlezen uit eigen werk in provinciesteden

en, god verhoede het, misschien wel in de vries

kou met een bord voor een ambassade heen en

weer lopen. Maar het doel was zo nobel dat hij

zo snel geen motief had kunnen vinden om de

uitnodiging te weigeren — het doel chanteerde

de middelen.

De volgende dag schreef hij, nog katterig, een

lang gedicht over het verzet van het volk, overal

ter wereld, tegen z'n uitbuiters. Een volmaakt

gedicht was het niet, maar, mits op de juiste toon

voorgelezen, zou het toch wel indruk maken en

daar ging het maar om.

De dialogen van Remoc Campert zijn fenomenaal, zelfs zo, dat je het bijna voor ondenkbaar houdt dat hij geen bijbelse opvoeding heeft genoten. Hij heeft een oor voor het gesproken woord dat je zou kunnen vergelijken met de ogen van Monet voor de kleur. Toch is het allerminst spreek en ik schrijf. Het is een levensechte stilering die een gepast gebruik maakt van de lachspiegel.

`Zo'n belangrijke wedstrijd en dan met 6-0 ver

liezen, dat moet toch wel als een schok komen.'

`Ja, nou ja, een schok... Dat is wel een zwaar

woord.'

`6-0! En dat vind jij niks?'

`Nou niks, dat wil ik niet zeggen, maar het blij

ven natuurlijk maar cijfertjes.'

`Die cijfertjes zijn toch wel erg in jullie nadeel.'

`Ja, nou ja, nadeel. Zo zou ik het niet willen noe

men. Voor hetzelfde geld was het in ons voordeel

geweest. Het is voetbal. Het hangt van zo'n klei

nigheid af.'

`Zullen we die doelpunten eens even bekijken?'

`Je doet maar wat je niet laten kunt.'

`Hier, dat doelpunt van Manussen. Hij schiet

hem vanaf de middenstip in een keer in.'

`Ja, maar goed, onze keeper stond niet in het

doel. Dan is het natuurlijk wel erg gemakkelijk

om er eentje in te schieten. Het had natuurlijk

net zo goed andersom kunnen wezen.'

`Hier schiet je in eigen doel.'

`Ja, dat kan gebeuren.'

`Wat gaat er dan door je heen als je in eigen doel

schiet?'

`Nou dan telt zo'n doelpunt voor de tegenpartij.

Terwijl een doelpunt toch een doelpunt is, zou je

zo zeggen. Kijk, als het door de tegenpartij was

gescoord, dan zou ik er vrede mee hebben dat

het bij hun op het scorebord komt. Maar nou

heb ik dat doelpunt gemaakt en mogen zij het

tellen. Dat is ergens niet eerlijk.'

Je moet een enorme zelfbeheersing aan de dag leggen om niet door te gaan met citeren. Het zou me niet de minste moeite kosten om u voor uren aan het lezen te houden. Ik zal dat niet doen. Het is mijn gewoonte niet om een lauwerkransom mijn hoofd te drukken van andermans veren.

U kunt van mij geen kritisch of analytisch stuk verwachten over een zo bewonderde collega. Ik ga de bloem niet pletten in een herbarium. En hoeveel nectar er van zijn stamper druipt, ik bedoel dit natuurlijk overdrachtelijk, kunt u bij iedere verschijning van nieuw werk zelf constateren. Ik heb een gruwelijke hekel aan kruideniers die in elkaars zaak met ziekelijke naarstigheid in de rozijnenbak zitten te wroeten of er geen steentjes in zitten, of die beweren dat de blaasham over zijn friste heen is. Als je je medeschrijvers als rivalen ziet, en je als Droogstoppel vindt dat wie een concurrent prijst een gek is, moet je de oogkleppen van de kortzichtigheid beslist opzetten zodat je het licht van de gouden dagen van je collega's niet kunt waarnemen.

Ik ga weer terug naar het schrijversprentenboek, naar de ontroerende jeugdfoto's, schoolfoto's, foto's in een niemandsland van herinneringen die vaak zo broos zijn als een vergeeld negatief. Ach, waren dat wij niet?/ Ach, ik niet? ach, jij niet? Er is één foto bij van een besneeuwde bosrand waar de jeugdige kunstenaar in spe op een slee langsglijdt, zijn linkeronderbeen als een periscoop omhoog. En we weten allemaal uit Citizen Kane wat er op die slee zou moeten staan die hij met zijn tengere lichaam bedekt. Niet dat ik het hier wil hebben over een ongelukkige jeugd die voor een schrijver een goudmijn zou zijn. Remco heeft een instelling die hem voor iedere langdurige neerslachtigheid behoedt. Het is wel een vingerwijzing naar de mijnschacht waar geen goud voor het opscheppen lag maar de raadselachtige brandstof voor een heel leven om te bevestigen dat hij bestaat.

Schrijversprentenboek (nr.46) `Al die dromen al die jaren' over Remco Campert. Red. Daan Cartens, Aad Meinderts en Erna Staal. Uitg. Lett. Mus. en de Bezige Bij