Beperk de handel in uitgestoten broeikasgassen zo min mogelijk

Op de klimaatconferentie die maandag in Den Haag begint, gaat het onder andere over `emissiehandel'. De vraag speelt of de VS en andere, niet-Europese industrielanden het klimaatverdrag zullen ratificeren. Dit zal alleen gebeuren als de handel in uitgestoten broeikasgassen ruim baan krijgt, meent Jacques Schraven.

In 1997 zijn in Kyoto concrete reductiepercentages afgesproken voor de uitstoot van broeikasgassen. De Europese Unie moet in 2010 als geheel acht procent minder uitstoten dan in 1990. Nederland zal zes procent terugmoeten. Dat lijkt weinig, maar is erg moeilijk te realiseren. Onze industrie is al bijzonder energie-efficiënt, wij hebben een relatief schoon brandstofpakket voor de elektriciteitscentrales en moeten ook nog `opboksen' tegen de economische groei.

In Kyoto is de mogelijkheid geopend via bepaalde vormen van emissiehandel de doelstellingen te halen door niet alleen in eigen land, maar ook in andere landen te investeren in verbetering van de `energie-efficiency' of te handelen in emissierechten. Dit zijn de zogenoemde Kyoto-mechanismen. Uitwerking hiervan zal in Den Haag plaats moeten hebben, met name op het punt van de spelregels voor die handel in emissierechten.

Nederland en de EU hebben al vastgelegd dat zeker de helft van de vermindering van de uitworp in eigen land gerealiseerd moet worden. De Verenigde Staten en andere niet-Europese industrielanden willen zich liever niet tevoren vastleggen op een vast percentage. De vermindering moet volgens deze landen gebeuren op de plaats waar dat het goedkoopste is. Daarom moet de handel niet belemmerd worden door allerlei beperkingen, zodat de prijsvorming van de gekochte emissierechten optimaal kan zijn.

Andere landen menen dat voor zo'n benadering weliswaar uit economisch oogpunt veel valt te zeggen, maar dat een land niet al zijn verplichtingen mag kunnen afkopen door alleen maar emissierechten te kopen in landen die voldoende ruimte hebben, zoals landen die uit de voormalige Sovjet-Unie zijn voortgekomen. Als een land zo al zijn verplichtingen kan afkopen, hoeft dat land zelf helemaal niets meer te doen. Het zal voor minister Pronk als voorzitter van de conferentie niet gemakkelijk zijn de kloof tussen de EU en de VS te overbruggen. Toch kan de klimaatconferentie slechts lukken als hierover overeenstemming komt. Europa veroorzaakt 13 procent van de emissies van broeikasgassen in de wereld en de VS zijn goed voor een kwart, bijna het dubbele dus.

De ontwikkelingslanden vormen een andere zorg voor Pronk. Ze leggen de schuld van het klimaatprobleem bij de industrielanden, die door hun hoge welvaart immers voor verreweg het grootste deel van de uitstoot op wereldschaal zorgen. De ontwikkelingslanden voelen zich daar niet verantwoordelijk voor. Zij staan nog slechts aan het begin van hun economische ontwikkeling. Voor de toekomst willen zij de mogelijkheid openhouden voor economische groei en dus ook voor meer uitstoot van broeikasgassen.

In Kyoto is met het oog op ontwikkelingslanden het zogenoemde Clean Development Mechanism (CDM) afgesproken. Door deze vorm van emissiehandel kunnen de industrielanden aan een deel van hun verplichtingen voldoen door te investeren in projecten in ontwikkelingslanden. Deze investeringen zullen de ontwikkelingslanden echter gemakkelijk kunnen voelen als neokolonialistische betutteling waar ze zelf geen baat bij hebben. Pronk zal de industrielanden ervan moeten overtuigen dat zij alleen projecten moeten realiseren die ook een werkelijke bijdrage leveren aan de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd zullen de ontwikkelingslanden moeten inzien dat ook zij baat hebben bij de overdracht van technologie die bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling.

Ondernemingen als Shell en BP zijn al met een intern systeem van emissiehandel begonnen. Inmiddels hebben zij met vijf andere multinationals afgesproken om ook de mogelijkheid van onderlinge emissiehandel te bekijken. Zo hopen ze ervaring op te doen met een systeem om op de goedkoopste wijze, maar toch zeer effectief, de uitstoot te verminderen.

De ondernemingen in Nederland die de meeste energie gebruiken, hebben de overheid beloofd dat zij zo spoedig mogelijk zullen behoren tot de ondernemingen in de wereld die het meest zuinig met energie omgaan. Dit `benchmarkingconvenant' betekent een zeer grote en voortdurende inspanning om blijvend te behoren tot de beste tien procent van de wereld. Met `benchmarking' leveren ondernemingen een goede bijdrage aan de inspanningen die Nederland in eigen land moet doen. Daarnaast biedt het convenant de mogelijkheid om op termijn gebruik te maken van de mogelijkheden in het buitenland voor goedkopere maatregelen die ook effectief zijn via emissiehandel. De mogelijkheden moeten niet bij voorbaat worden beperkt. Deze internationale handel moeten zo min mogelijk beperkingen in de weg gelegd worden. Een volumebeperking zal ook een extra last voor toezicht en controle met zich meebrengen.

Het is dus raadzaam niet tevoren vast te leggen dat de helft van de emissiereductie in eigen land moet gebeuren. Het bereiken van een vergelijk tussen de EU en de VS, zodat de afspraken van Kyoto snel geratificeerd kunnen worden, hangt daarvan af.

Jacques Schraven is voorzitter van de ondernemingsorganisatie VNO-NCW.

    • Jacques Schraven