Van kenniseconomie naar wild kapitalisme en terug

Met deze eenennegentigste aflevering komt een eind aan mijn veertiendaags feuilleton over de kenniseconomie. Misschien heeft u gemerkt dat de voorbije weken de belangrijkste thema's die me nauw aan het hart liggen, nog eens de revue zijn gepasseerd: economische clusters, kennismanagement, innovatiebeleid, strategie. En vandaag dus het overkoepelende thema. Niet dat ik uitgeschreven ben; dat had u toch niet gedacht? Elke week stuit je wel op een paar thema's die de moeite waard zijn om voor het voetlicht te brengen. Maar deze krant wil weer eens een ander geluid laten horen en ik kan daar goed inkomen. Over innovatie schrijven helpt je niet aan de krachten ervan te ontsnappen. Overigens verdwijn ik niet helemaal uit deze krant. Zoals voorheen zal ik nieuwe boeken onder de aandacht blijven brengen. Dat dwingt op zijn minst mezelf om die ook te lezen.

Wat is er veranderd de voorbije drieëneenhalf jaar sinds u mijn geïdealiseerde portretje voor het eerst mocht aanschouwen? Op het eerste gezicht niet veel. Andrew Grove van Intel verklaarde onlangs nog (in Business Week, 28-8-2000) dat hoe opgewonden zijn technologisch georiënteerde linkerhersenhelft ook is, zijn meer op management gerichte rechterhelft hem de voorbije veertig jaar heeft geleerd dat mensen niet overdreven snel veranderen. In grote lijnen zijn de voorbije jaren dan ook dezelfde thema's politiek en samenleving blijven beheersen: maatschappelijke cohesie nationaal en internationaal, oorlogen, immigratie, sociale zekerheid, veiligheid, gezondheid... en niet ten onrechte. Wij die met innovatie ons brood verdienen, moeten vooral ons werk blijven doen, just-in-time die mensen overtuigen die ertoe doen om ons de nodige middelen te verschaffen en ervoor zorgen dat we met die beperkte middelen een maximum aan effect bereiken. Niet onze technologieën, innovaties of kerncompetenties doen ertoe, maar de maatschappelijke en economische toegevoegde waarde die we ermee tot stand brengen.

Natuurlijk is er wel wát gebeurd de voorbije jaren. Eerst en vooral hebben we economisch gezien héél mooie jaren meegemaakt. Bovendien beleefden we de doorbraak van internet, mobiele telecommunicatie en autoped, met de hele hype rond de `nieuwe economie' die daarmee samenhing. Vorig jaar publiceerde de toen nog Maastrichtse hoogleraar Arjen van Witteloostuijn een mooi, ouderwets geëngageerd boek over wat hij De Anorexiastrategie (Arbeiderspers) noemde. Hij verweet grote ondernemingen gebrek aan visie op de langere termijn. `Informatisering' kwam in zijn verhaal hoogstens voor als mythe die, naast de andere mythe van de `globalisering', het opschuiven richting een Angelsaksisch getinte `shareholder value'-benadering moest legitimeren.

Dat verhaal over aandeelhouderswaarde staat nog steeds overeind, maar het voorbije jaar hebben we daarvan wel een heel bijzondere langetermijnvariant mogen meemaken. Een tijdlang was het passé om nog over winst en verlies op de korte termijn te praten. De verhalen konden niet wild genoeg zijn. Tezelfertijd leken we een soort terugkeer mee te maken naar het wilde kapitalisme van de `robber barrons' die zich snel verrijkten op de rug van goedgelovige klanten en financiers. De trouwe lezer van deze rubriek weet dat ik het niet kon laten daar geregeld de draak mee te steken. Het was natuurlijk te mooi om waar te zijn. Evengoed was het een welkome verademing: die wilde nieuw-economische storm met zijn nadruk op radicale innovatie, dynamiek, nieuwe concepten, ondernemerschap, absurde technologiegedreven utopieën en het verdwijnen van de normale economische wetten.

Daartegenover bleef het – meer correcte – verhaal over de kenniseconomie het wat betweterige, slimme broertje met begrijpelijkerwijs minder appeal. Terwijl we in die kenniseconomie juist met elkaar moeten strijden om de schaarse aandacht van het publiek. Aan de kant van de kenniseconomie werd het verhaal ook niet aantrekkelijker gemaakt door `kennismanagers' met bureaucratische inslag die de illusie leken te koesteren dat ze kennisstromen binnen organisaties precies konden sturen en stroomlijnen. In tegenstelling daarmee zijn ondernemerschap, innovatie en vooral strategisch en verandermanagement als cruciale competenties terecht weer veel meer op de voorgrond gekomen. (En zoals ik u enige weken geleden nog zei: goed kennismanagement kan daarbij zeker helpen.) Laat me u in dit verband op de valreep nog een keer een goed boek aanbevelen (toch ook een rode draad in deze rubriek?): Strategy Synthesis (Thomson, 1999) van de Nederlanders Bob de Wit en Ron Meyer. Geen boek met simpele oplossingen, maar wel met veel passie voor processen, paradoxen, leren en veranderen. Over goeie strategische feeling dus.

Of we dat nu leuk vinden of niet: de wildste periode van de `nieuwe economie' is intussen alweer voorbij. De grote bedrijven uit de `oude economie' rusten zich steeds beter toe voor de uitdagingen van de e-business. Dat doen ze deels ouder-, deels nieuwerwets. Die merkwaardige, noodzakelijke mix van oude en nieuwe benaderingen die nooit goed te krijgen is, waarover ik drieëneenhalf jaar bericht heb, daar blijven we nog wel een tijdje mee worstelen. Wordt vervolgd dus.

Intussen het allerbeste! Arrivederci

Dit is de laatste column van prof. dr. Dany Jacobs over De Kenniseconomie.