Van der Ploegs verhalen kloppen niet

Staatssecretarissen van Cultuur verlaten het departement de laatste jaren meestal geschonden. Maar de tegenstand die Rick van der Ploeg oproept slaat alles. En terecht, meent Herman Stevens.

Het klinkt als een mooie baan waar je van première naar prijsuitreiking wandelt, terwijl er geen politieke risico's aan vastzitten. Het maakt niet uit wat een staatssecretaris van Cultuur doet of laat, want op de hele begroting is het budget te verwaarlozen, en de meeste Kamerleden zal het een zorg zijn wat er met de kunsten gebeurt. Om het cultuurbeleid zullen nooit koppen rollen.

Toch hebben maar weinig voorgangers van staatssecretaris Van der Ploeg het department ongeschonden verlaten. Elco Brinkman werd weggehoond nadat hij zich met de toekenning van P.C. Hooftprijs had bemoeid, Hedy d'Ancona werd nauwelijks serieus genomen, en Aad Nuis, een van de weinige politici die echt boeken leest, onthouden we vooral van de boete die hij de orkesten wilde opleggen als ze geen Nederlandse composities speelden. Maar geen bewindsman heeft zulke felle reacties opgeroepen als Van der Ploeg.

Deze tegenstand is vooral opmerkelijk omdat we in zulke rustige tijden leven. Dit is geen tijd van grote polemieken. Wie iets wil in de kunst hoeft niet eerst de gevestigde namen te onthoofden. De enige rebel van deze tijd is de staatssecretaris. Alleen vecht hij niet tegen de macht. Hij is de macht, en hij gebruikt zijn macht vooral om verwarring te zaaien. Bij zijn aantreden vroeg hij al hoe het kwam dat de Rolling Stones geen subsidie krijgen terwijl ze veel meer publiek trekken dan een opera.

En dat was nog maar het begin. Het tijdperk Van der Ploeg is een lawine van ideetjes geworden die zelden meer om het lijf hebben dan het plan om Rembrandts in de hallen van Schiphol te hangen, zodat meer, of andere, mensen ze te zien krijgen. Het liet zien hoe gedateerd Van der Ploegs ideeën zijn. Hij wil kunst naar de mensen toebrengen die niet om kunst geven, want niemand gaat naar het vliegveld om van een schilderij te genieten.

In de jaren zeventig moest kunst naar de arbeiders gebracht. Nu niemand zich meer als arbeider laat aanspreken (en zeker niet over kunst) zijn daar de jongeren en allochtonen voor in de plaats gekomen. Het blijft hetzelfde verhaal. En om zijn verhaal kracht bij te zetten, liet Van der Ploeg statistieken publiceren waaruit moest blijken dat er onder jongeren zo weinig belangstelling is voor de kunsten dat over twintig jaar de zalen wel dicht konden. De statistieken vermeldden niet dat veel jongeren vanzelf ouder worden. Opnieuw leek het doel verwarring te stichten. Mussolini had het script kunnen schrijven. Eerst de Rolling Stones-demagogie om de rancune op te kloppen en dan de ondergangsvisioenen. Het roer moet om!

Iedereen die de theaters bezoekt kan zien dat Van der Ploegs verhalen niet kloppen. Het roer is allang om, zonder dat er een politicus aan te pas is gekomen. Sinds de jaren tachtig is het steeds levendiger geworden in de zalen. Vroeger was kunst iets dat moest als je erbij wilde horen. Grijze types zaten door hele Beethovenseries te dutten omdat je toch iets aan cultuur moest doen. Ergens in die jaren heeft zich een omslag in onze beleving van kunst voorgedaan die Van der Ploeg nu wil terugdraaien.

Er heeft zich een generatie aangediend van mensen voor wie kunst geen vorm van zelfverheffing meer is. Ze komen gewoon om te genieten. We hoeven geen schoon ondergoed meer aan te trekken voor we naar het theater gaan, want een avond in de schouwburg is gewoon een mooie avond en de volgende avond halen we misschien een film uit de videotheek. Er is geen cultuurdominee meer die ons vertelt hoe het hoort. De klassieke kunsten hebben hun verplichte status verloren, maar het publiek waarvoor het daarna niet meer hoefde, is ruimschoots opgevolgd door een generatie waarvoor het Concertgebouw geen heiligdom meer is, maar wel een heel mooie plek om uit te gaan.

Zeker als er voor het orkest een dynamische dirigent staat, kunnen er op elke stoel wel drie zitten, want Amsterdam trekt publiek uit het hele land. Het is de grote uitgaansstad geworden. Daarom had de voorzitster van de Raad voor Cultur, Winnie Sorgdrager, het bij het verkeerde eind toen ze onlangs in deze krant stelde dat de regio overcrowded was met orkesten. Het tegendeel is eerder het geval, zoals bleek toen er vorig jaar duizenden naar het park kwamen voor een video-relay van Wagners Ring des Nibelungen die gelijktijdig in het Muziektheater werd opgevoerd. Kan het elitairder dan Wagner? Er zou zo een orkest met de allure van het Concertgebouworkest bijkunnen in Amsterdam, want als de kwaliteit er is, komt het publiek vanzelf.

In de afgelopen periode is onvergeeflijk veel schade aangericht door Van der Ploegs government by losse flodder, terwijl hij er pas op het laatste moment achterkwam dat hij in de ministerraad zijn vinger maar hoefde op te steken om meer geld te krijgen. Toen veranderden de prioriteiten. Niemand weet meer waar de staatssecretaris voor staat. Zo had het Fonds voor de Letteren een beleidsplan ingeleverd dat hem op het lijf was geschreven, maar het kreeg er geen cent bij.

Van der Ploegs ideeën zijn alweer failliet voor zijn ambtstermijn voorbij is, want ze gaan mank aan een fundamentele denkfout. Van der Ploeg wil dat de kunst voor iedereen is, en wie er niet in is geïnteresseerd – nou, daar ligt een mooie markt voor de kunstenaars. Maar de tijd van hurken en laffe sandwichformules is voorbij. Het publiek wil de intense belevenis van werkelijke klasse. Anders blijft het weg.

De plannen van Van der Ploeg zijn een recept voor lege zalen, want hij zou het liefst de hartstochtelijke bezoekers naar huis sturen en de weifelaars naar de schouwburg lokken met `vanille-kunst'. Zo krijgt het Appeltheater straf omdat de zaal wel vol zit, maar met het verkeerde publiek. Vanillekunst kan wel aan de commercie worden overgelaten.

Er is maar één manier om het publiek van deze tijd aan de kunst te binden en dat is het charisma van echte kwaliteit. Kunst is geen publieksmarkt zoals Van der Ploeg denkt. De demografie heeft nog nooit een meesterwerk voortgebracht. De kunstenaars maken de markt en het publiek komt pas als er iets te beleven valt. Daarom kan kunst ons zo verrassen. Er was geen behoefte aan kubisme voor Picasso het uitvond. Zo creëert grote kunst haar eigen publiek. En daar moet de politiek niet tussen gaan staan.

Herman Stevens is schrijver