TROU MOET BLYCKEN

Ineens viel daar, toen ik in de Suid-Afrikaanse Bibliotheek van Kaapstad aan het snuffelen was, De Lof der Stront uit een map met kleinere en zeldzame uitgaven. Gedrukt in 1882 bij De Jong & Co, Worcester, en volgens een notitie in handschrift `geschreven door J.E. de Jong.' De Jong, in 1847 in Deventer geboren, was als jonge meester-drukker naar Zuid-Afrika verhuisd.

Ik citeer er maar drie strofen uit. Het zijn er in totaal driehonderd. De stront wordt aan alle kanten tegen het licht gehouden en groeit uit tot metafoor van menselijke en maatschappelijke zwakheden een scatologische Lof der Zotheid, zeg maar. Het bijzondere is niet dat het woord stront er zoveel duizenden malen in voorkomt dat is ook bijzonder , het wonderlijke is dat het als gedicht zo voortreffelijk is. De Lof der Stront is meteen op het eerste gezicht méér dan het product van een bekwaam versificateur, het moet afkomstig zijn van een dichter met ideeën, met een wereldbeeld. Het is geen curiositeit, het is een topper uit onze negentiende-eeuwse poëzie.

Het bleek helemaal niet door J.E. de Jong geschreven. Er kwam een veel vroeger afschrift boven water, uit 1868, door een zekere A. van Houte te Kadzand. Het gedicht waarvan ik, met een onmiskenbaar tekort aan bibliografisch wantrouwen, een fragment had opgenomen in De Afrikaanse poëzie in duizend en enige gedichten, diende te verhuizen naar de Nederlandse literatuur.

Ook deze A. van Houte was duidelijk niet de auteur. De gedichten van zijn eigen hand, die het pakket met het afschrift vergezelden, haalden bij verre na niet het niveau van De Lof der Stront.

Nu, dat hele bibliografische parcours staat beschreven in mijn inleiding bij de recente druk van de driehonderd welriekende strofen door Boris Rousseeuw van De Carbolineum Pers. Driehonderd strofen, volledig met de hand gezet en gedrukt in zestig exemplaren, ziedaar een heroïsch werk. Wie nog de hand op een exemplaar weet te leggen mag zich gelukkig prijzen.

Ik kom in die inleiding met de gissing of liever met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat De Lof der Stront een geliefde tekst is geweest in het declamatie-circuit. Uit enkele historische toespelingen blijkt dat de oertekst al in de periode 1829-1830 moet zijn ontstaan. Een eeuw lang hebben de mensen het epos met de hand overgeschreven, om ook eens iets anders te kunnen declameren dan De Overwintering op Nova Zembla op hun gezellige, maar berucht lange negentiende-eeuwse avonden. Zelfs in de bagagehut naar de Kaap ging de tekst mee. Daar las onze De Jong het voor, als altijd onder grote hilariteit, en omdat hij toch drukker was zou het gedicht daar voor het eerst worden gedrukt. Het was te onfatsoenlijk en te direct om in Nederland ook maar één vermelding in het literaire circuit te verdienen, en de kaffers in de zetterij van Worcester begrepen er gelukkig weinig van.

Onlangs bevestigde een historicus me dat zijn grootvader nog in 1900 een schrift had aangelegd met komische voordrachten, waarin 37 strofen voorkwamen uit De Lof der Stront. Het schrift vertoonde ernstige tekenen van slijtage.

Dat we hier met oral culture te maken hebben is duidelijk. De vraag blijft: wie is de auteur?

`Uit de school van Pieter Boddaert Junior', opperde ik in mijn inleiding. Op enkele plaatsen in De Lof der Stront werd namelijk uitdrukkelijk naar deze auteur van de Erotische portefeuille verwezen.

Het blijft een desoriënterend gedicht, want nu heb ik weer een andere gissing. De aanleiding is een raadselachtige opmerking in strofe 12:

't Woord stront heeft veel betekenissen,

Zo noemt men het bijvoorbeeld `Nood',

Gij moet u daarom niet vergissen

En denken dat 'k mijn naam u bood

Suggereert de anonieme dichter hier dat zijn naam een synoniem van stront zou zijn? Kak, derrie, poep, schijt, drol of hoop, noemt hij zelf twee regels verderop als synoniemen. De enige dichtersnaam daaronder is Hoop. Adriaan van der Hoop Junior de vader trouwens van de Adriaan van der Hoop Juniorszoon die later nog een geruchtmakende periode aan de Kaap zou doorbrengen. Maar dat is een ander verhaal.

Adriaan van der Hoop Junior leefde van 1802-1841. Ideale jaren voor onze dader. Hij was een romanticus met een grote politieke belangstelling. Steil of humorloos was hij beslist niet. Een tijdlang `deed' hij een satirisch tijdschrift, ooit werd (abusievelijk) het poëtische schotschrift De Hippokreen-Ontzwavelaar aan hem toegeschreven, ergens in de biografie van Jacob van Lennep zit hij als een gek om een paar komische versjes te schateren.

Het is maar ik ben voorzichtig geworden een gissing. Ik sla De Lof der Stront dicht en in het `allerlaatste Couplet' stoot ik op de volgende regels:

Maar vrienden ik wil toch niet hopen

Dat gij nu soms behagen vond

Om mijnen naam eens te herdopen

En noemen mij mijnheer van Stront...

Weer die Hoop. Vooral de combinatie hopen, herdopen lijkt verdacht op een bevestiging van mijn vermoeden.