Liefde voor drijfstang en vuur

Sla de kop van dit artikel over, kijk niet naar de illustraties, en zeg dan wie de volgende dialoog voerden:

,,Waarom moet ik aan de kant?''

,,Er zit een intercity op je staart!''

,,Man, ik loop ook honderddertig! Ik merk hem niet eens en hij mij ook niet.''

Reden voor dit recente gesprek was een spoorwegsein voor een machinist van de Stoom Stichting Nederland (SSN) die even stil moest gaan staan op een zijspoor omdat er een sneltrein achter hem aan kwam. Dat een beetje stoomtrein even hard rijdt als modern materieel was de dienstdoende NS-beambte kennelijk niet bekend.

Er is wel meer niet bekend over stoomtreinen, en een groot deel van wat we er wel over weten, kon maar op het nippertje worden gered. De NS ontdeed zich in de jaren vijftig van alle stoomlocomotieven, gaf er één aan het Spoorwegmuseum in Utrecht en liet de rest slopen. Bij de oprichting van de SSN in 1976 waren er gelukkig nog net een paar machinisten bij de NS in dienst die nog met stoom hadden gereden: zij brachten dat jaar de eerste stoomlocs van de stichting van Duitsland naar Nederland en gaven hun kennis later door aan de volgende generatie Nederlandse stoommachinisten. Iets dergelijks gebeurde met de kennis over het repareren van stoomlocomotieven: na de val van de Berlijnse muur in 1989 bleek er in de DDR nog een bedrijf te bestaan waar ze dat vak volledig beheersten. De 120 werknemers van Dampflocwerk Meiningen AG zijn nog steeds druk bezig half vergane stoomlocomotieven tot leven te wekken, want het verlangen om af en toe per stoomtrein te reizen leeft in grote delen van Europa.

,,Wij zijn een stichting, maar we functioneren als een gewoon bedrijf'', zegt SNN-voorlichter Rob Grootveld terwijl we een loods vol operationele en defecte stoomlocomotieven in Rotterdam-Noord inspecteren. ,,Heen en weer naar Apeldoorn of Groningen is voor ons routine. Even de NS bellen en we worden gewoon ingelegd.'' Het gewone en het routineuze van de SNN is maar betrekkelijk. Al het personeel is onbezoldigd en het starten van een locomotief gaat minder makkelijk dan bij de NS. ,,Meestal beginnen we een etmaal van tevoren met houtvuur om de kou eruit te krijgen'', zegt Grootveld in een zwartgeblakerde cabine, waarin een nog veel zwarter gat toegang geeft tot een vuurkamer van vijf vierkante meter. Als daar een daglang kolen hebben gebrand is de keteldruk tot 16 bar opgelopen en kan het feest beginnen.

Een paar Belgische eersteklas wagons uit de jaren dertig, vol pluche en gepolitoerd hout, worden achter de tender gehaakt en het personeel van een jubilerend bedrijf kan instappen, of de deelnemers aan een saai congres, of de potentiële grootafnemers van een nieuw model tandenborstel. De SNN vervoert elk gezelschap dat het instapbedrag van ruim ƒ25.000 wil betalen. Daarvoor krijgen ze bijvoorbeeld een rondje Rotterdam-Haarlem-Amsterdam. Naar Leeuwarden kost wat meer, ook omdat er dan een vrachtauto met extra kolen naar het noorden moet. Een paar keer per jaar rijdt de SNN voor de duizend donateurs en – als er stoelen over zijn – andere gegadigden.

In de stichtingsstatuten staat niets over een museale functie, omdat ze werden opgesteld toen de SNN alleen maar stoomtreinen in bedrijf wilde houden. Grootveld memoreert hoe het rollend materieel eerst gewoon in de open lucht stond, met een bouwkeet erbij die van stroom werd voorzien via een verlengsnoer naar een naburige friettent. Later volgde een functionele, maar lelijke fabrieksloods. Het geluk van de stichting en iedereen die de schitterende treinen wil bekijken, was de aanleg van de Beneluxlijn van de Rotterdamse metro, die de SNN-loods van de rest van de Nederlandse spoorwegen zou afsnijden. `Tsjak!!', aldus Grootveld. SNN, NS, gemeente en een reeks sponsors sloegen de drijfstangen ineen. En nu – tsjak! – staat er aan de andere kant van Rotterdam een prachtige bakstenen loods, drie jaar jong, maar door architect Riksman gebouwd in vroeg 20ste-eeuwse NS-stijl, met grote halfronde, stalachtige ramen van een gesloopte loods van Van Gend & Loos en een nostalgisch perron ernaast.

Kortom: toch een museum. De SNN moet nog een beetje aan het idee wennen. Rondleidingen worden op ad-hocbasis georganiseerd en de tekstborden bij de locs staan er nog maar net. Een groot model van een locomotief staat eenzaam in een glazen vitrine in de kantine, als begin van wat wellicht nog komen gaat, terwijl een veel uitvoeriger display vertelt welke soorten vrijwilligers de stichting op dit moment kan gebruiken. Wat de bezoeker te zien krijgt, is meer echt dan museaal, dat is de kracht van deze soms rijdende expositie.

    • Michiel Hegener