Justitie en de `fatale' omissie

Onderdelen van het OM en het departement van Justitie wisten niet van elkaar dat ze bezig waren met de hoofdverdachte van de Dover-zaak. Communicatiestoornis of erger: dat is de vraag.

Het is toch weer gelukt. Maandenlang hebben de advocaten P. Doedens en J. Boone beweerd dat het openbaar ministerie ernstig nalatig is geweest bij het onderzoek naar de Dover-zaak. Ze staafden hun stellingen veelal niet met feiten, hoon van OM en politiek viel hen ten deel. Maar na gisteren zijn de rollen omgekeerd.

Het bericht, woensdag in het Algemeen Dagblad, ging aanvankelijk verloren in het pandemonium rond de Amerikaanse verkiezingsuitslag. Maar de inhoud was explosief. De criminele status van mensensmokkelaar Gürsel O., volgens het OM hoofdverantwoordelijke voor het Dover-transport waarbij in juni 58 mensen de dood vonden, blijkt vier weken daarvoor te zijn doorgedrongen tot de hoogste ambtenaar van het ministerie van Justitie. Toen, op 22 mei, ondertekende secretaris-generaal H. Borghouts een beschikking die de uitlevering van O. aan Frankrijk regelde. De Franse justitie had daar om gevraagd wegens een eerdere veroordeling van O. – voor mensensmokkel.

Deze feiten staan niet op zichzelf. Eerder lag het onderzoeksteam van de Dover-zaak ook al onder vuur. Een groot deel van de groep die volgens het OM het transport organiseerde, bleek enkele dagen voor het fatale weekeinde te zijn geobserveerd door de Rotterdamse politie. In het weekeinde zelf was die observatie gestaakt. Dat transport is doorgelaten, riepen de advocaten. Maar politie en OM konden aannemelijk maken dat die observatie in een ander onderzoek - naar smokkel van Koerden per zeilboten - plaatsvond. Het was bovendien een oriënterend onderzoek, gestoeld op lichte aanwijzingen. Dat Gürsel O. Chinezen smokkelde, en een concreet transport had gepland, wist de Rotterdamse politie voor de Dover-zaak niet, aldus het OM.

Minister Korthals werd hierover 7 september in de Tweede Kamer ondervraagd. Hij beaamde de lezing van het OM. ,,Er waren geen duidelijke aanwijzingen dat hij (Gürsel O., red.) zich bezighield met mensensmokkel'', aldus Korthals. Die stelling is nu met feiten te weerleggen. Uit de context van Korthals' mededelingen aan de Kamer blijkt dat hij doelde op O.'s betrokkenheid bij het Dover-transport. Ook wilde Korthals Gürsel O. graag voorstellen als een kleine jongen. In het debat moest hij het bericht weerleggen dat de politie de observatie van O. en de zijnen had gestaakt wegens personeelstekorten en het EK-voetbal. Dat was niet zo, zei Korthals: de politie wist niet welke plannen O. had. En mocht de politie dat wel hebben geweten, dan waren altijd genoeg agenten voorhanden geweest om in te grijpen, ongeacht personeelstekorten of het EK.

Maar hij repte niet over de uitleveringsbeschikking voor O. aan Frankrijk die Borghouts vier weken voor het Dover-transport had getekend. Gisteren zei Korthals dat hij hiervan niet op de hoogte was. Maar Borghouts dus wel - en met hem een serie medewerkers van het departement en het OM. De vraag is nu: hoe kan het dat deze informatie destijds niet bekend was, of is genegeerd, bij de Rotterdamse politie?

Volgens P. Doedens, de advocaat van O., was zijn uitlevering een onzinnige papieren exercitie. O. had in Frankrijk bij verstek een jaar celstraf gekregen. Hij stond daarom gesignaleerd, zoals dat heet, en werd in 1998 op Schiphol aangehouden. Daarna verbleef hij een half jaar in een Haarlemse cel. O. had daarmee zijn straf uitgezeten, omdat je in Frankrijk de helft van de straf uitzit, zegt Doedens.

Het Franse uitleveringsverzoek bleef niettemin van kracht, O. procedeerde daartegen tot in hoogste instantie, zijn verzet werd afgewezen - waardoor de uitleveringsbeschikking tenslotte pas 22 mei dit jaar ter ondertekening op het bureau van Borghouts belandde. En was het volgens Doedens een papieren kwestie, uit niets blijkt dat het ministerie daar ook zo over dacht. Diezelfde dag ging vanuit het departement een brief uit aan O., waarin hem de procedures worden uiteengezet. Blijkens de brief moest hij zich eigener beweging melden in Frankrijk en daar verzoeken of hij het restant van zijn straf in Nederland mocht uitzitten. Een verzoek dat duidelijk weinig indruk heeft gemaakt op O. maar specialisten zeggen dat het procedureel is gegaan zoals het hoort.

Diezelfde specialisten zeggen echter ook, en daarover ontstond vanochtend enige paniek bij het OM, dat O. na het tekenen van de uitleveringspapieren opnieuw opgenomen had moeten worden in het signaleringsregister. Door het parket Haarlem (omdat de arrestatie van O. op Schiphol gebeurde). Onhelder bleef vanmorgen of `Haarlem' die signalering ook heeft uitgedaan. Het is een cruciaal gegeven. Want nu vaststaat dat de politie in Rotterdam ná de beschikking tot uitlevering (22 mei), maar vóór het Dover-transport (18 juni) observatie op O. en de zijnen uitvoerde, had men O., gezien de signalering, in principe moeten aanhouden. En een bewuste niet-aanhouding komt gevaarlijk dicht bij doorlaten: de ontkende theorie van Doedens en Boone. De andere mogelijkheid is dat Haarlem de signalering niet of te laat heeft uitgedaan. Volgens Kamerleden een fatale omissie.

Aan Korthals de taak deze Gordiaanse knoop om te bouwen tot een geloofwaardige brief aan de Kamer. Er werd vanochtend hard aan gewerkt. Onderwijl lachte Doedens in zijn vuistje. Maar in het onderzoeksteam van de Dover-zaak werd de eventuele schade voor de vervolging van de verdachten laag ingeschat. Iemand zei: ,,O. is nog altijd voortvluchtig, dat zegt genoeg.''