Ik overleefde een crash

Neerstorten met een vliegtuig is toch vooral iets dat anderen overkomt. Dat is voor de lezer nog steeds de waarheid. Maar voor mij sinds kort niet meer. Ik heb een crash overleefd. Zonder een krasje vleselijke schade nog wel. Dit stukje is, zou je kunnen zeggen, een mémoire d'outre tombe, een relaas van gene zijde van de kist.

De kist was in dit geval een watervliegtuigje, een ultralight met drijvers. Het toestelletje lag op het keienstrand getrokken van de badplaats Jalta op de Oekraïense Krim.

Vliegen met maffe toestellen is leuk. Het was dan ook een lichte teleurstelling geweest dat Ukranian International Airlines naar de Krim niet met zo'n ouderwetse Toepolev 134 – NAVO-codenaam Crusty – vloog, maar in een gloednieuwe, dertien-in-een-dozijn Boeing 737.

Maar toen mijn oog op twee water-ultralights viel, wist ik dat het met dat gekke vliegen tijdens deze reis nog wel goed zou komen. Een reden om mee te gaan was snel gevonden. Doel van de reis was het maken van een reportage over de `Rivièra van het Oosten' voor een mannenblad. En hoe, aldus de meereizende fotograaf, kon de beroemde kust met al zijn paleizen en buitenhuizen beter worden gefotografeerd dan vanuit de lucht? Hij zou platen schieten. Ik moest op de voorgrond vliegen.

De piloten waren eerst niet van plan om iemand mee te nemen. De wind stond niet goed en de golfslag was te woelig. Maar voor een handvol gryvnas bovenop de gebruikelijke prijs wilden de vliegers toch wel een startpoging wagen.

Mijn piloot, Vitali, was er trots op dat zijn kist een Oekraiens design was. Alleen de motor – die alvast een heidens kabaal maakte – was van buitenlandse, Canadese makelij.

Eenmaal in de gordels moesten we een effen startbaan vinden tussen twee parallelle golven, zo'n honderd meter buiten de kust. Pas na een poging of zeven gingen we, steeds grotere sprongen over de golven makend, ineens steil omhoog. De boulevard van Jalta werd snel kleiner. Een stofbril voorkwam dat mijn oogbollen uit hun kassen woeien. Op zo'n honderdvijftig meter hoogte zetten we koers in de richting van Aloesja, een ander badplaatsje, veertig kilometer naar het oosten. De fotograaf hing iets hoger.

Nog voor het elfhonderd kamers tellende Hotel Jalta uit het zicht was verdwenen, begon de motor te sputteren. ,,Motjorprobljem'', schreeuwde de piloot in zijn moerstaal in mijn oor – of iets dat daarop leek, en hij omklemde met witte knokkels de stuurstang waarmee de vleugel kan worden bewogen. Het toestelletje overtrok, de neus kantelde naar voren en met een noodgang doken we op het water af. Als een Jan-van-Gent die een school haring heeft ontdekt.

En nu komt het geruststellende nieuws voor vliegvrezigen. In plaats van een beklemmende sensatie over het snel naderende einde, kromp mijn belevingswereld in een oogwenk tot de meest triviale details. Wat een lullig voetensteuntje is dat eigenlijk daar, dacht ik. En: er zit geen klok in het dashboard van de cockpit. Geen angst. Niks langsflitsend leven. Maar: over hoeveel vissen zouden we sinds het opstijgen nu exact zijn heengevlogen?

Vlak voor we op zee te pletter zouden storten, rukte Vitali de stuurstang naar achteren – of naar voren, daar wil ik vanaf wezen – en de noodduik werd een steile glijvlucht. De drijvers smakten met een tussenwervelschijfversplinterende dreun op de golven en na een korte, schuimende remweg kwamen we tot stilstand.

Vitali deed er bleek het zwijgen toe. Misschien vanwege de schrik. Misschien omdat ik voor zo'n rondvlucht precies nul gryvnas overhad. Na een kwartiertje kwam een waterbrommer langszij. De bestuurder gooide een touwtje over en sleepte ons naar een in onbruik geraakte kade in Jalta-Oost. Het vliegtuigje werd op een trailerhelling geparkeerd en ik kreeg achterop de waterscooter een lift terug naar het keienstrand.

Wat restte van de crash was een leeg gevoel. Een lege maag om meer precies te zijn. Een honger die uitsluitend leek te stillen met een goed stuk vlees. Liefst ossenhaas.