Geld verdienen aan de handel in schone lucht

In de strijd tegen de broeikasgassen worden landen ook aangesproken op hun economisch eigenbelang. De handel in CO2 heeft de toekomst.

EEN BEDRIJF voor stadsverwarming in een middelgrote Roemeense stad. Het warme water wordt door een slecht geïsoleerde, lekkende buis langs de huizen gestuurd. Dat gebeurt via een `enkele lus', waardoor de gebruiker niet zelf zijn temperatuur kan regelen, behalve door het openzetten van een raam als het te warm wordt. Ook hebben de huizen geen meterkast. Iedereen betaalt evenveel voor zijn verwarming; de prikkel om zuinig met energie om te springen ontbreekt.

Hier valt veel te verdienen. Voor een Westers energiebedrijf, dat de Roemeense stadsverwarming voor relatief weinig geld kan overnemen en moderniseren. Voor de Roemeense overheid, die zijn burgers zo een betere energievoorziening kan bieden. En – in de toekomst – ook voor de Nederlandse overheid, die de vermindering van de uitstoot van schadelijke broeikasgassen in Roemenië kan opkopen en op haar eigen conto mag schrijven.

Dat werkt zo. Er wordt nauwkeurig berekend hoeveel ton CO2 er minder wordt uitgestoten door verbetering van de efficiëntie. De Nederlandse overheid betaalt per ton CO2-reductie een bedrag aan het energiebedrijf. Die tonnen mogen worden opgevoerd als Nederlandse reductie. Zonder die Nederlandse financiële bijdrage zou geen Westers bedrijf zich wagen aan de overname van een krakkemikkige Oost-Europese stadsverwarming omdat het nooit rendabel zou zijn, en daarmee zou deze reductie van CO2-uitstoot niet zijn doorgegaan.

Kooldioxide houdt zich niet aan grenzen, broeikasgassen vormen een wereldwijd probleem. Dus, ere wie ere toekomt, in het bovenstaande voorbeeld is het Nederland aan wie de reductie van broeikasgassen te danken is. Dat was ook de redenering bij de klimaatconferentie in het Japanse Kyoto in 1997. Het maakt niet uit wáár de CO2-uitstoot wordt teruggedrongen, als het maar gebeurt. Landen mogen daarom hun reductie ook elders halen.

Als het aan Europa ligt, mag dat echter niet onbeperkt. Bij alle onderhandelingen sinds de conferentie in Kyoto is dit een van de struikelblokken. Europa vindt dat de Westerse landen een morele verplichting hebben om de helft van de reductie binnen de eigen grenzen te vinden, maar de VS voelen niets voor dit soort beperkingen.

Robert Stavins, hoogleraar milieu in Harvard, heeft medelijden met de Amerikaanse regering. Hij was onlangs – op verzoek van zijn regering – in Nederland om dat uit te leggen. Volgens Stavins vormt voor de VS klimaatverandering het grootste politieke probleem van de afgelopen generatie. Het is heel duur, zeker zo duur als alle andere milieu-inspanningen bij elkaar, denkt Stavins. Dat komt neer op zo'n twee procent van het bruto nationaal product. ,,De voordelen van beleid worden pas op de lange termijn zichtbaar'', zegt Stavins, ,,terwijl regeringen gewend zijn om de kosten van de huidige problemen door te schuiven naar komende generaties. Bovendien zullen vooral andere landen – de kleine eilandstaatjes en ontwikkelingslanden die afhankelijk zijn van de landbouw – profijt hebben van de CO2-reductie.''

Om beleid op dit gebied aan de Amerikaanse burger te verkopen, moet er bij de uitwerking van het akkoord van Kyoto rekening worden gehouden met het standpunt van de VS. En Amerikanen houden, zoals bekend, niet van al te veel regels en ze zijn wars van rechtstreekse subsidies. Nee, zegt Stavins, laat `de markt' maar zijn werk doen. Dat is de goedkoopste en dus de effectiefste manier om het broeikaseffect te lijf te gaan.

Stavins noemt Kyoto een zwak akkoord. Het is `too little, too fast'. Door zich te veel te richten op de korte termijn, ontstaan dure, cosmetische maatregelen. Als het goedkoper is om in het buitenland CO2-uitstoot te verminderen, moeten er geen belemmeringen zijn om dat te doen. Zolang er maar een bovengrens bestaat aan de uitstoot. Het in meerderheid Republikeinse Amerikaanse Congres vindt dat ook ontwikkelingslanden een deel van de reductie-inspanning voor hun rekening moeten nemen (waar Amerikanen dan veel CO2-emissie kunnen inkopen). Europa en de ontwikkelingslanden zelf vinden dat echter onacceptabel. Laat eerst de echte vervuilers maar betalen.

Toch maken alle landen zich op voor vormen van emissiehandel. Nederland behoort tot de koplopers, al gaat dat voorlopig alleen via wat in het jargon van Kyoto joint implementation wordt genoemd. Dat komt er op neer dat een rijk industrieland een project uitvoert in een arm industrieland. Het Roemeense voorbeeld maakt duidelijk hoe het werkt. ,,Een ton CO2 kost in Nederland nu zo'n veertig tot vijftig gulden. In het buitenland misschien tien of twintig gulden'', stelt Adriaan Korthuis van Senter, een agentschap van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken, dat zich met emissiehandel bezighoudt. Senter is, samen met de Wereldbank, de enige plek waar de handel concrete vormen heeft aangenomen. ,,We handelen nu op een jonge markt'', zegt Korthuis. ,,Waardoor het product, broeikasgas, nog relatief goedkoop is.'' De Nederlandse overheid neemt een zeker risico door nu al met deze projecten te beginnen, omdat Kyoto nog niet eens is geratificeerd. Maar het is goed voor de expertise, vindt Korthuis. En de inschatting is, dat men het over `joint implementation' wel eens zal worden.

Anders ligt dat bij de zuivere emissiehandel (handel in CO2-rechten tussen industrielanden onderling). Hoewel bijna iedereen er vanuit gaat dat dit de toekomst wordt, vindt men in Europa de risico's op dit moment nog erg groot. Een voorbeeld: Rusland mag volgens Kyoto op dit moment veel meer CO2 uitstoten dan het land in werkelijkheid doet. Dat komt door de economische crisis na 1990. Dit `overschot' zou volgens het principe van de emissiehandel opgekocht kunnen worden door bijvoorbeeld de VS, die daarmee binnenshuis niets hoeven te doen. Er gaat dan een geldstroom van A naar B, zonder dat er een gram CO2 uit de atmosfeer verdwijnt.

Daarnaast is voorzichtigheid geboden omdat reductie in andere landen niet alleen goedkoper is, maar ook gemakkelijker te realiseren. De duurdere reductie in eigen land vraagt veel meer technische innovatie. Op termijn is echter juist die innovatie van essentieel belang om voldoende reductie te kunnen blijven behalen.

Als `vluchtgedrag' niet vermeden kan worden, kan emissiehandel ontaarden in pure windhandel. Vandaar dat, ook in Nederland, volop wordt nagedacht over de beste manier om de CO2-handel vorm te geven. Hoe verdeel je bijvoorbeeld de emissierechten? Geef je een bedrijf een soort `plafond' (als je meer CO2 wilt uitstoten omdat je meer wilt produceren, moet je efficiënter werken of bij een ander bedrijf emissierechten kopen), of bepaal je een norm per product (per geproduceerde auto mag een bepaalde hoeveelheid CO2 worden uitgestoten; in dat geval leidt groei van een bedrijf wel tot meer CO2). Geef je emissierechten weg, of ga je ze veilen? Laat je bedrijven de rechten onderling verkopen, en creëer je daarvoor een beursvloer, of wil je dat overheden een vinger in de pap houden?

Volgens Garth Edward, makelaar in onder meer CO2 van het Amerikaanse bedrijf Natscource, stimuleert emissiehandel bedrijven om zuinig te zijn met CO2. Belastingmaatregelen vergen een zware bureaucratie voor de controle. Het vastleggen van normen (zoals Nederland heeft gedaan in een convenant met het bedrijfsleven, dat loopt tot 2004) ontneemt bedrijven de prikkel om er een schepje bovenop te doen. Bij emissiehandel kan een extra zuinig bedrijf zijn overschot aan CO2-rechten verkopen aan andere. Bedrijven die nu nog geen strategie ontwikkelen voor emissiehandel, zijn volgens Edward dom bezig.

Erik van Engelen, directeur van Essent Duurzaam, geeft Edward gelijk. Essent, met ongeveer 40 procent marktaandeel het grootste energiebedrijf van Nederland, ontwikkelt nu al allerlei projecten in Oost-Europa, met name in Letland en Polen, die leiden tot vermindering van CO2-uitstoot. Die reductie kan worden verkocht aan de Nederlandse overheid, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Zo gaat Essent `klimaatstroom' verkopen. De klant koopt `gewone' stroom, die met fossiele brandstof wordt geproduceerd en dus leidt tot uitstoot van CO2. Essent geeft echter de garantie dat deze uitstoot wordt gecompenseerd door ergens anders CO2 uit de lucht te halen. Emissiehandel in het klein.

Handel in broeikasgassen is ongetwijfeld de enige manier om in een kapitalistische samenleving het doel (reductie van broeikasgassen) overeind te houden. Als er niets aan te verdienen valt, is het terugdringen van het broeikaseffect gedoemd te mislukken.