De schoonheid van geweld

De grijze hemel breekt open, de volle maan beschijnt het water en aan de voet van de berg slaan de granaten bressen in de vestingmuur. In lange boten roeien de soldaten naar de overkant. Zwart steken hun silhouetten af op het donkere water. Onder de titel Sensô-e toont het Legermuseum in Delft Japanse oorlogsprenten uit de periode 1894-1905. Nog niet eerder waren deze prenten in Europa te zien.

De Tweede Wereldoorlog begon volgens sommige historici in 1937, toen Japan oprukte in China en de tweede Sino-Japanse oorlog inluidde. De Japanse expansie werd door de Sovjets gestuit bij het plaatsje Nomonhan in Mongolië. Daar speelde zich in 1939 onder ijzige omstandigheden een betrekkelijk onbekende tankslag af. De Sovjets, onder leiding van de later beroemde veldheer Zjoekov, brachten de Japanners een vernietigende slag toe. Japan keerde zich naar Zuidoost-Azië en de Sovjet-Unie richtte zich op Polen en later nazi-Duitsland. De Japanse zegetocht door Azië legde de kiem voor de dekolonisatie, de Rode Legers exporteerden de Stalinterreur naar Oost-Europa.

Bij deze grootschalige militaire en politieke conflicten, die de twintigste eeuw gestalte gaven, denken we niet meteen aan de eerste Sino-Japanse oorlog van 1894-1895. Toch zette deze oorlog Japan tegenover Rusland, wat zou leiden tot de Japans-Russische oorlog van 1904-1905 en uiteindelijk tot Japans inval in China en Mandsjoerije.

Wat onmiddellijk opvalt aan de Japanse drieluiken is hun schoonheid. Uit de getoonde triptieken spreekt ontzag voor de winter die de lichamen van gesneuvelde soldaten half onder de sneeuw verbergt; voor het immense Chinese landschap, waar troepenmachten verdwijnen in valleien en niet in de laatste plaats voor de tegenstander. Van oorlogsprenten verwacht je dat de tegenstander als demon is afgebeeld. De Amerikanen beeldden in de Tweede Wereldoorlog Japanners uit als apen of Mongolen met wrede gelaatstrekken en op de Duitse oorlogspropaganda hoeven we hier niet in te gaan.

In Delft zien we echter een vijand afgebeeld die weliswaar meestal massaal wordt afgeslacht, maar vaak toch ook niet onverdienstelijk terugvecht. De Chinese tegenstander — vaak met punthoed en lange haarvlecht — wordt op deze kleurrijke prenten serieus genomen, en dat doet de kijker deugd. Er werd, zoals in latere beeldvorming, geen ongedierte verdelgd. Wat op zichzelf weer de — hier niet te beantwoorden — vraag oproept waarom de Japanners zo beestachtig tekeergingen tegen de Chinese burgerbevolking tijdens de tweede Sino-Japanse oorlog.

De platen dwingen niet alleen ontzag af bij de kijker wegens het vakmanschap waarmee ze zijn gemaakt, ze dwingen ook tot nadere beschouwing. Je vraagt je bij iedere afbeelding af waarom het getoonde je verbaast. Het verbaast niet dat de Japanse militairen er Westers gekleed bijlopen: witte tuniek, witte pantalon met rode bies, kekke sjako op het hoofd. We weten dat het Japanse leger en de Japanse marine naar Westers voorbeeld zijn gemodelleerd. Maar dat geen van de officieren een samoeraizwaard hanteert, verbaast. In de Tweede Wereldoorlog hadden alle officieren een katana. Hier zien we uitsluitend Westerse sabels in Japanse handen. Voorts valt op dat veel Japanse officieren baarden dragen.

Wat ook verbazing oproept is wat je níet ziet, vooral bij de prenten van de Russo-Japanse oorlog (1904-1905). Om die te begrijpen moeten we eerst weten dat de Westerse mogendheden Japan grotelijks schoffeerden. Onder druk van het Westen moest Japan in 1895 veel veroverd gebied aan China teruggeven. Na het neerslaan van de zogeheten Boxer-Opstand in 1900 werd China echter door diezelfde mogendheden opgedeeld. Onder meer bezetten Russen gebied dat eerder door Japan aan China was teruggegeven. Japans diplomatiek protest haalde niets uit en een militaire optie werd onontkoombaar. Nadat Russische troepen, zonder oorlogsverklaring, oprukten, opende Japan, eveneens zonder oorlogsverklaring, de aanval op Rusland.

De Russo-Japanse oorlog bracht voor het eerst een Westers bewapende en getrainde Aziatische tegenstander tegenover een Westerse grootmacht. In deze oorlog werd voor het eerst door beide combattanten op grote schaal gebruik gemaakt van machinegeweren. Vooral tijdens de belegering van de vestingstad Mukden viel het Westerse waarnemers op hoe moordend het vuur van de mitrailleurs was.

Niets daarvan is echter op de triptieken te zien. Nog steeds worden geweren met bajonetten als speren gebruikt of als knuppels geheven in heroïsche gevechten van man tot man. De prenten tonen onbedoeld het einde van de oorlogsromantiek.

Sensô-e, Beeldverslagen van het Japanse front 1894-1905, t/m 28 jan 2001, Legermuseum, Korte Geer 1, Delft. Volw ƒ6, kind tot 12 ƒ3. Open: ma t/m vr 10-17u; za/zo 12-17u. Aanbevolen in de museumwinkel: The Sino-Japanese War van Nathan Chaïkin uit 1983 met 90 triptieken, ƒ45. Inl 015-2150500.