Café De Sport

In Café De Sport worden geen grappen gemaakt. Kees runt de zaak met vaste hand en ernstige blik. Hij rekent nooit te veel of te weinig, op elk biertje doet hij zijn uiterste best. Het broodje rookworst dat hij serveert, bestaat uit een kleffe klont in een zilverkleurig bakje. Daarop een onwaarschijnlijk recht, ingesnoerd stuk worst in een rare kleur, vochtig, maar warm van de magnetron. Zowel broodje als worst blijven altijd lang aan de tanden plakken.

Kees ziet bleekjes, valt me de laatste tijd op. Terwijl hij me het broodje overhandigt, hij ziet er echt niet goed uit, legt hij een hand op de schouder van de dichtstbijzijnde man aan de bar. Hij kijkt ver over ons heen, naar buiten, als hij opeens zegt: ,,Ik moet even overgeven.'' Kort en zakelijk, zoals alles wat hij zegt. Hij knikt naar de vier gulden die ik neerleg en loopt mee naar de uitgang, langs de grauwwitte poes van Café De Sport. Ik kijk niet om als ik oversteek.