Arm en rijk in Nederland

e Daklozenkrant verschijnt één keer in de twee weken, het tijdschrift Miljonair twee keer per jaar. Miljonair, een magazine for the luxury lifestyle waarvan het eerste nummer met een verkeerd glossy omslag en een naadloze overgang van advertenties naar redactionele tekst onlangs is verschenen, concurreert met andere bladen die zich richten op de markt van nieuwe welgestelden. Het is duidelijk een groeimarkt. Met het succes van het televisieprogramma `Ik wil een Miljonair' is de zoektocht naar het rijke geluk een exhibitionistische rage geworden.

Het aantal miljonairs in Nederland neemt in stevig tempo toe, terwijl het aantal duurzaam arme huishoudens min of meer constant blijft. Het eerste zou een reden voor nationale trots moeten zijn, want het doel van het sociaal-economische beleid is immers dat zoveel mogelijk mensen welvarender worden. Het kabinet zou moeten juichen bij de stijging van het aantal miljonairs en dat moeten aanmoedigen met een belastingstelsel dat een premie geeft op inkomensverbetering. Geen progressieve maar degressieve tarieven.

Zo'n betoog vindt geen gehoor, want het beleid kent ook andere doelstellingen, zoals spreiding van inkomen en bestrijding van armoede. En daarmee schiet het niet op, blijkt uit het vijfde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting, Arm Nederland, Balans van het armoedebeleid*. Deze diepgravende studie naar de stand van de armoede in Nederland is vorige week gepubliceerd.

Sinds 1995 wordt publiekelijk erkend dat Nederland nog altijd een armoedevraagstuk heeft. Volgens het rapport telde Nederland in 1998 zo'n 246.000 huishoudens die duurzaam (drie jaar of langer) op of onder het sociale minimum leven. Deze mensen hebben het echt krap. Het betreft iets minder dan vier procent van alle huishoudens en dit aantal is in het afgelopen decennium van de euforie over de nieuwe economie, gesneuvelde beursrecords en fabelachtige huizenprijzen niet wezenlijk veranderd.

De eerste observatie is dat Nederland zich gelukkig mag prijzen. Amper vier procent duurzaam arme huishoudens is een overzienbare groep. Als de grens wordt getrokken voor alle huishoudens met een inkomen rond het sociale minimum, bedraagt het percentage 10,6 procent. Bij een ruimere definitie van `lage inkomens' gaat het om ongeveer veertien procent van de huishoudens. Ook dat valt te overzien: zesentachtig procent van de huishoudens verkeert wat betreft inkomen niet in dramatische situaties.

De tweede observatie is somberder. In percentages van het totale aantal huishoudens uitgedrukt, is de arme kant van Nederland, ondanks de economische voorspoed en twintig procent banengroei van de jaren negentig, vrijwel constant gebleven. Natuurlijk, bij iedere inkomensverdeling is altijd sprake van een onderkant en de samenstelling van de groep verandert van jaar op jaar. Bovendien is armoede een relatief begrip. Bij de invoering van de Algemene Bijstandswet, midden jaren zestig, gold als criterium voor wat arme mensen zich mochten veroorloven: `een bloemetje hoort er bij'. Tegenwoordig, stellen de auteurs, is dat verschoven naar `een computer hoort erbij'.

Uit het beeld dat de onderzoekingen in Arm Nederland schetsen, blijkt dat armoede weerbarstiger is dan het overheidsbeleid, ook al is daarin veel verbeterd. Vanaf midden jaren negentig geeft de overheid zo'n miljard gulden per jaar uit voor algemene en gerichte armoedebestrijding – los van de bijstand en andere sociale regelingen.

Er tekenen zich ondertussen een aantal verontrustende ontwikkelingen af. De armoede ontgrijst (minder ouderen dank zij de fiscale ouderenaftrek), vergroent (meer jongeren), feminiseert (meer vrouwen) en verkleurt (meer allochtonen). Voor eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd is het armoederisico zeer groot: deze categorie vormt ruim de helft (54 procent) van de huishoudens met een inkomen rond het sociale minimum. Verder neemt de groep armen met een betaalde baan toe, zodat in Nederland, in navolging van de working poor in de Verenigde Staten, meer en meer gesproken kan worden van werkende armen.

Ongeveer een vijfde van de huishoudens met een laag inkomen is allochtoon (vergeleken met veertien procent van alle huishoudens). De kans op armoede ligt bij allochtone huishoudens veel hoger dan bij autochtone huishoudens. Van de autochtone huishoudens leeft twaalf procent van een laag inkomen, van de Surinaamse 31 procent, de Antilliaanse/Arubaanse 36 procent, de Turkse 37 procent en de Marokkaanse huishoudens 43 procent. Naar verwachting van de onderzoekers zal een toenemend aantal vluchtelingen tot de onderste inkomenslagen van de bevolking gaan behoren. Geografisch concentreert de armoede zich in de drie grote steden (met Rotterdam als koploper), maar er bestaan ook gebieden van plattelandsarmoede in Groningen en Friesland.

De studie geeft indringende beschrijvingen van de overlevingsstrategieën van mensen in armoede. Met vrienden, buurt- of familiehulp, netwerken van onderlinge steun, klusjeswerk, scharrelbaantjes en zwart inkomen ontstaat in Nederland een informele economie met karakteristieken zoals die bekend zijn uit sociologisch onderzoek naar arme mensen in Derde-Wereldlanden. De Nederlandse samenleving krijgt wat armoede en rijkdom betreft steeds meer sociaal-economische trekken van ontwikkelingslanden.

Wat zijn de aanbevelingen? De nadruk op werk is verschoven naar behoud van een baan en doorstroming. Meer geld voor specifieke steun helpt natuurlijk ook.

En aanpak van de armoedeval, waardoor werken financieel aantrekkelijker wordt dan uitkeringen plus inkomenssubsidies. Ten slotte een advies dat niet letterlijk in het rapport staat: voorkom eenoudergezinnen. Laat kinderen opgroeien in gezinnen, zorg voor een partner in huis, voorkom jeugdzwangerschappen en stuur kinderen naar school.

* G. Engbersen, J.C. Vrooman, E.Snel: Arm Nederland, Balans van het armoedebeleid, Amsterdam University Press 2000.

rjanssen@nrc.nl