Amerika vraagt om `grote coalitie', maar hoe?

Wie het ook wordt, de volgende Amerikaanse president moet met zijn voormalige tegenstanders samenwerken. Dat is de belangrijkste conclusie die in Washington wordt getrokken uit de nog steeds niet volledige verkiezingsuitslag.

Amerika is in een gematigde bui en vraagt om een `grote coalitie', maar niemand weet hoe dat moet in een presidentieel systeem dat geen coalitievorming kent. De uitslag van de verkiezingen van dinsdag is zo krap – wie er ook president wordt – dat geen enkele partij een mandaat lijkt te hebben om eenzijdig het land haar wil op te leggen.

Dat is de overheersende indruk in Washington, waar deskundigen en denktanks zich gisteren bogen over de vraag: hoe nu verder? Terwijl de stemmen in Florida opnieuw moesten worden geteld om te bepalen wie president wordt, bleken ook de Republikeinse meerderheden in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden te zijn afgekalfd.

Vannacht bleef de mogelijkheid open dat in de Senaat de zetels zelfs gelijkelijk zouden worden verdeeld tussen Republikeinen en Democraten: 50-50. De Republikeinen verloren in ieder geval drie zetels van hun vier zetels voorsprong in de Senaat. Op de uitslag van de race in de staat Washington werd nog gewacht, maar de Democratische kandidate lag iets voor.

En zelfs als George W. Bush na hertelling toch wint, dan zal hij naar alle waarschijnlijkheid minder stemmen hebben vergaard dan zijn tegenstander Al Gore. Dat is een extra argument voor de `grote coalitie' die nu nodig is, meent Thomas Mann, senior fellow van de Brookings Institution. ,,Er is tijdens de Clinton-jaren een ware wapenwedloop in gemenigheid geweest. Die kan weer uitbreken als de winnaar, naar ik aanneem George W. Bush, zou proberen zijn partijdige programma eenzijdig door te drukken.''

Mann en andere analisten van de politieke strijd in Washington verwachten dat niet. Ook Stephen Wayne, hoogleraar aan Georgetown University, verwacht dat een president Bush ,,met geleidelijkheid en gematigdheid zal regeren. Deze situatie zonder evidente meerderheid komt hem goed uit. Hij heeft voortdurend campagne gevoerd op zijn bereidheid bruggen te bouwen, en de uitslag dwingt hem er nu toe. Dat kan hij zijn partijgenoten voorhouden.''

Ook in het Washingtonse wereldje van de specialisten in het buitenlands beleid heerst een merkbare consensus dat de nieuwe president alleen zinvol naar buiten kan optreden als hij zich een bredere rugdekking in het Congres verschaft dan alleen zijn eigen politieke vrienden. Op een bijeenkomst gewijd aan de overgang naar een nieuwe regeerperiode waren verschillende leden van de Council on Foreign Relations het er gisteren over eens dat partij-overstijgend vertrouwen snel moet worden gevestigd, zeg binnen een half jaar. Daarna is het niet makkelijk meer te creëren als het er niet al is.

,,President Bush zou er goed aan doen Europa en de NAVO over de Balkan zo snel mogelijk gerust te stellen. En ook Azië zal graag op korte termijn een blijk van vertrouwen en respect ontvangen'', was een welgemeend advies. President Reagan werd door zowel Democraten als Republikeinen geprezen om zijn goed voorbereide overname van de macht in 1980. De Democratische presidenten Carter en Clinton hadden daar aanzienlijk minder van terechtgebracht, ook op het punt van steun zoeken aan de politieke overzijde in het Congres.

Thomas Mann waarschuwde dat Bush als president wel onder druk zou komen te staan van conservatieve partijgenoten om zijn radicale plannen (belastingverlaging en privatisering van de sociale zekerheid) voortvarend door te voeren in het geval hij als eerste Republikein sinds Eisenhower zowel het Huis als de Senaat op zijn hand zou hebben. ,,Maar noch het land noch het Congres zijn daar rijp voor.''

Verschillende deskundigen beginnen zich na de merkwaardige uitslag van dit jaar af te vragen of het College van Kiesmannen nog wel een plaats hoort te hebben in de procedure die leidt tot de verkiezing van een Amerikaanse president. De kans is aanwezig dat dit jaar de man met de meeste stemmen (Gore) geen president wordt omdat de ander (Bush) iets meer staten veroverde met in totaal meer kiesmannen.

Het algemeen erkende voordeel van het winner takes all-systeem is dat de kandidaten zich in bijna alle staten moeten vertonen. Bovendien leidt het, zoals ieder districtenstelsel, tot stevigere meerderheden en een sterkere legitimatie van de winnaar. Door het weren van kleine partijen wordt versplintering van de macht voorkomen: de groene kandidaat Ralph Nader heeft met zijn 2,6 procent van de bijna 100 miljoen uitgebrachte stemmen geen enkele zetel of toekomstige subsidie gewonnen.

Al Gore heeft gezegd dat hij zich bij de werking van dit systeem neerlegt. George W. Bush doet dat natuurlijk ook, al wisten ingewijden gisteren te melden dat zijn campagneteam al juridisch advies had ingewonnen voor het geval hij de meeste stemmen en iets minder kiesmannen zou hebben behaald. Toch werd gisteren door meer dan één deskundige over een moeilijk aan het volk uit te leggen anachronisme gesproken. Niemand weet alleen hoe het wel moet, en het Congres is gewoonlijk al bokkig genoeg, dus een grondwetswijziging die het eb en vloed van opgeblazen macht afschaft zal daar niet op korte termijn passeren.

De politieke hoofdrolspelers moeten eerst weer leren om ,,als volwassenen'' samen te werken. De polarisatietijd van Newt Gingrich is voorbij. Zoveel is wel duidelijk van de kiezersuitspraak.

Het valt vervolgens te hopen dat het toekomstige begrotingsoverschot, waar de kandidaten Gore en Bush al zo gul van hebben lopen uitdelen, ook echt uit de bus komt. Want dan, zegt Brookings-econoom Robert Litan, ,,valt het beide partijen makkelijker compromissen te sluiten, dan kunnen én Bush én de Democraten een deel van hun zin doordrijven en de kiezers daar over twee jaar aan herinneren. Dat overschot pakt meestal groter uit dan eerst voorspeld. Tenzij natuurlijk het Midden-Oosten helemaal ontploft, of de beurs crasht, en een recessie volgt.''