Verkiezingen zijn nu al historisch

Tot nu toe golden de presidentsverkiezingen van 1960, toen Kennedy Nixon versloeg, als de spannendste. Maar ze haalden het niet bij die van gisteren.

Wat ook de uitslag zal zijn van de Amerikaanse presidentsverkiezingen gisteren, nu al staat vast dat zij historisch zijn. Historisch wat betreft de spanning van de nek-aan-nek race tussen de kandidaten Gore en Bush, maar ook als het gaat om de verwarring over wie er nu gewonnen heeft in Florida, dat met 25 kiesmannen de doorslag zal geven.

Tot gisteren golden de presidentsverkiezingen van 1960 als de spannendste van de geschiedenis. De race tussen Bush en Gore doet aan drama nauwelijk onder voor die verkiezingsstijd. De Democratische senator John F. Kennedy nam het toen op tegen de Republikeinse vice-president Richard Nixon. Pas om acht uur 's ochtends eiste Kennedy de overwinning op. Toen was vast komen te staan dat hij 49,7 procent van de stemmen had gekregen, tegen 49,5 procent voor Nixon en 0,8 procent voor de nu vergeten Democratische kandidaat senator Harry F. Byrd. Kennedy won met minder dan 120.000 stemmen verschil, bij een opkomst van 63 procent van de kiezers. Vanochtend werden de stemmen in de Verenigde Staten nog altijd geteld, en bedroeg het verschil tussen Bush en Gore 250.000 stemmen in het voordeel van de laatste. Uiteindelijk geeft het aantal kiesmannen dat de respectieve kandidaat wint de doorslag; het is dus niet ondenkbeeldig dat de kandidaat die de meeste stemmen wint toch verliest omdat hij onvoldoende kiesmannen heeft. Kennedy's overwinning in het College van Kiesmannen was destijds gerieflijk: op de ochtend na de verkiezingen bleek dat hij 332 kiesmannen achter zich te hebben had terwijl Nixon slechts op de steun van 191 kiesmannen kon rekenen.

In 1960 ebde de grootste spanning 's ochtends direct weg omdat Nixon, overigens pas om kwart over negen, toegaf de verkiezingen verloren te hebben. Volgens sommigen was dat overigens een van de weinige nobele daden in zijn politieke carrière. Vandaag handelde vice-president Gore echter anders: eerst erkende hij zijn nederlaag, vervolgens trok hij die erkenning in omdat de uitslag in Florida zó nipt was dat er overgegaan werd tot hertelling.

Ook in 1960 waren er mensen in het Republikeinse kamp die aandrongen op zo'n hertelling. Het hoofdbestuur van de partij wilde een paar dagen na de verkiezingen een hertelling in Texas, Illinois, Minnesota, New Jersey en South Carolina nadat er duizenden klachten waren binnengekomen over stembusfraude en andere onregelmatigheden. Nixon verklaarde echter dat hij bleef bij de erkenning van zijn nederlaag. Een hertelling had weinig zin omdat wanneer daarbij grove onregelmatigheden aan het licht zouden zijn gekomen, het Huis van Afgevaardigden het recht had (en heeft) de president te kiezen. Maar ook in het Huis beschikten de Democraten destijds over een stevige meerderheid.

Pikant was destijds dat een aantal kiesmannen, wier optreden nu geldt als een technische formaliteit, zich nog niet had vastgelegd op een van de kandidaten. Het ging hierbij om zes kiesmannen uit Alabama en acht uit Mississipi die de gekozen president eerst nog wat toezeggingen wilden ontlokken op het terrein van de `schoolintegratie', die een eind moest maken aan de rassenscheiding in beide zuidelijke staten. Toen de kiesmannen op 22 november bij Kennedy belet vroegen, kregen zij nul op het rekest: de president elect had veel te danken aan het zwarte electoraat.

Kennedy voelde zich volgens een bericht in de NRC ,,fantastisch''. ,,Hij stak een grote sigaar op, terwijl hij een bescheiden roker is.'' Een week na de verkiezingen bracht Kennedy een bezoek aan zijn verslagen tegenstander. Bij die gelegenheid ,,begroeten beide rivalen elkaar zeer hartelijk, omstuwd door aanhangers en persfotografen''.

Maar voor Nixon, die tot op dat moment nauw bevriend was geweest met Kennedy, was de nederlaag het begin van een toenemende paranoia. Hij was ervan overtuigd dat Kennedy hem de overwinning had ontstolen. Later bleven andere leden van de Kennedy-clan Nixons pad kruisen: bij de verkiezingen van 1968 was dat Robert Kennedy en in 1971 Edward Kennedy.

In zijn boek Kennedy and Nixon betoogt Douglas Brinkley dat die toenemende paranoia uiteindelijk leidde tot het installeren van afluisterapparatuur in het Witte Huis en zo tot Watergate.

    • Frank Vermeulen