Uitzichtloze verveling

De kwestie rond de dood van de oude Brongersma deed me denken aan de eskimo's, of Inuit, zoals zij zichzelf noemen. Vroeger scheen het bij dit volk gebruikelijk te zijn dat oude mensen zich uit eigen beweging terugtrokken uit de groep om in afzondering op een ijsschots te sterven. Of dit waar is, weet ik niet – over Inuit doen wel meer verhalen de ronde die niet kloppen. In feite hebben ze bijvoorbeeld maar een handjevol woorden voor `sneeuw' en geen tientallen, zoals het cliché wil. Van het zelfgekozen-dood-

verhaal is me bijgebleven dat het draaide om maatschappelijk nut. De omgeving van de Inuit was zo onherbergzaam en er ging zo veel tijd en energie zitten in het overleven dat men geen blokken aan het been kon gebruiken. Als mensen te oud en te zwak waren geworden om nog van nut te zijn voor de groep, hielden zij het voor gezien. Werd de zelfgekozen dood door altruïsme ingegeven of was er sprake van groepsdruk die op tegenspartelende oudjes werd uitgeoefend? Dat soort dingen is interessant om te weten, maar waarschijnlijk onachterhaalbaar.

Het is ontegenzeggelijk barbaars om mensen louter en alleen af te rekenen op hun nut voor de groep, zelfs als de balans door betrokkenen zelf wordt opgemaakt. Deze instelling staat diametraal tegenover de christelijke ethiek van onze cultuur. Desondanks valt er iets van op te steken.

De ingangseisen voor euthanasie zijn geformuleerd als `ondraaglijk lijden' en `uitzichtloos bestaan'. Normaal gesproken slaat deze terminologie op dodelijk zieke mensen, lijdend onder handicaps die de kwaliteit van leven verwoesten. Op Brongersma waren deze kwalificaties niet van toepassing. Hij was lichamelijk in orde en had ook geen psychiatrische aandoening. Hij kwam dan ook niet in aanmerking voor euthanasie, maar voor hulp bij zelfdoding. Hij ging gebukt onder het leven zelf, dat hem te lang duurde. Hij had geen familie, geen of nauwelijks vrienden meer, geen aardigheid meer in activiteiten die hem vroeger plezier schonken. Kortom, hij leed aan ondraaglijke, uitzichtloze verveling.

Ik kan me hier wel iets bij voorstellen. Hoe ouder je wordt, hoe meer de kwaliteit van het bestaan achteruit kachelt. Je hebt alles al eens gezien en je bent levensmoe. Toch ergert het me als anderen, in dit geval een welwillende huisarts, dit particuliere probleem moeten gaan oplossen. Deze arts, in wiens goede bedoelingen ik alle vertrouwen heb, wordt toch maar opgezadeld met de ervaring dat hij een persoon gedood heeft, om nog maar te zwijgen van medische tuchtcommissies, rechtszaken en nu weer hoger beroep, waarmee hij te maken krijgt. De zelfgewenste dood van een individu is het dat allemaal niet waard. Dan had Brongersma beter nog een paar jaar door kunnen sukkelen.

Sommigen wijten de doodswens-op-grond-van-levensmoeheid aan de liefdeloosheid van de maatschappij. Als meer mensen zich het lot van à la Brongersma dodelijk vereenzaamde verveelden zouden aantrekken, dan zou deze categorie van levensvermoeiden heus niet dood willen. Ik betwijfel dat, omdat het geven van aandacht geen goede remedie is tegen verveling. Wie zich verveelt moet niets krijgen, maar juist zelf iets geven. Daar knapt-ie meer van op. Het probleem zit in de manier waarop de cultuur tegen ouderen aankijkt: zij zijn ontslagen van alle plichten en verantwoordelijkheden. Afgedankt, weg ermee, ga maar plezier maken. Ouderen hebben geen maatschappelijk nut meer, alleen carte blanche om zich te amuseren, precies de voedingsbodem voor een op den duur (na een jaar of twintig, dertig) allesoverweldigende verveling.

Veel ouderen zijn zo verstandig zichzelf plichten op te leggen in de vorm van vrijwilligerswerk. Iets nuttigs doen voor anderen, juist ook als je er niet echt zin in hebt, zorgt ervoor dat je daarna meer plezier hebt in de dingen die je voor jezelf doet. Maar ouderen worden nooit op plichten aangesproken. Als Brongersma en dezulken zich een paar uur per week zouden wijden aan, ik noem maar wat, Nederlandse les aan een asielzoeker, desnoods onder dwang van de een of andere overheidstaakgroep, zou hun levensvreugde toenemen. Zolang je je verdienstelijk maakt, is het leven de moeite waard, dat leren ons de Inuit.