Treurvocalises en hysterisch geweld bij Kagel

Ignaz Ferdinand Arnold plaatste in 1806 koor en orkest achter schermen om de concentratie van het concertpubliek niet te verstoren. Niets mocht van de muziek afleiden. Gelukkig bleef dat idee zonder navolging. Anders zouden we nu het oeuvre van Mauricio Kagel (1931) moeten missen, want bij hem valt er altijd wel iets te zien. Zoals ook dinsdagavond bij het onnavolgbaar geïnspireerde Schönberg Ensemble en een niet minder geconcentreerd Nederlands Kamerkoor bij de première van het gijzelingsdrama Entführung im Konzertsaal.

Wel plaatst de componist een Arnoldiaans scherm rond de 70 gegijzelde musici, want wat zich daar allemaal afspeelt krijgen we niet te zien. Op het podium zal een gemutileerd orkest van 26 musici en een kamerkoor zich wijden aan een dramatisch oratorium naar onder meer kladboekteksten van Georg Christoph Lichtenberg, verlicht moralist en tijdgenoot van Arnold. Maar of het allemaal door kan gaan is nog de vraag. De dirigent (Reinbert de Leeuw) onderhandelt met de terrorist (Johan Leysen) om in ieder geval de solisten vrij te krijgen, slechts de tenor (Christoph Homberger) blijkt aanwezig en die lijdt aan geheugenstoornis.

Zo ontwikkelt zich een oratorium annex hoorspel in onder meer elf telefoon- en drie solo-tenorscènes, te weten een monoloog, een arioso en een aria. Niet voor niets wordt het nieuwe werk geplaatst na Kagels Mitternachtsstück uit 1980-1986. De Entführung is een soort tegenstuk: een Mitternachtsstück in neonlicht, opgeblazen ruw en rauw in schrille paniek- en schreeuwscènes, een enkele keer afgewisseld met meer ingetogen treurvocalises in het koor, vergelijkbaar met Ravels Daphnis et Chloë.

Voor het overige overheerst het expressionisme. Alle Kagel-gestieken passeren de revue, van dolgedraaide marsen tot hysterisch lachen. Het meest geslaagd lijken me de tenorsoli met koorcommentaren, zoals het geheimzinnige Ora et non Labora. Temidden van het panische geweld werkt daar de ingehouden melancholie extra sterk. Een vioolsolo heeft aan het eind dezelfde bespiegelende functie als in het Mitternachtsstück. De droge plokken van het pizzicato in de viool tegen de dun uitgesponnen, uiterst verfijnde draden in het harmonium herinneren aan een oproep van Lichtenberg: laten de musici leren van het geluid dat de krekel met zijn vleugels maakt.

In Kagels nieuwste werk valt vooral een merkwaardig tutti-geluid op, alsof een heel regiment plotsklaps niezen moet. Ook niet te versmaden, maar als Kagel de zwangere instrumenten van hun meest intieme geluid verlost is hij op zijn sterkst. Ik had soms behoefte aan enigszins dempende Arnoldiaanse schermen.

Concert: Schönberg Ensemble en Nederlands Kamerkoor. Gehoord: 7/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: VPRO 29/11.