Tegenstand voor de panharingpoëzie

,,Het is een groot misverstand dat een schrijver zich niet moet aanstellen en dat hij gewone-mensentaal moet bezigen. Wil je de lezer ontroeren, dan moet elke alinea, elke zin, elk woord dat je schrijft bijzonder zijn,'' schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in het nieuwste nummer van Bzzlletin. ,,Verstaanbare poëzie is eenduidig, eendimensionaal, recht-toe-recht-aan en plat.''

Dat is duidelijke taal. De gedichten van de jonge, verstaanbare, performende dichters, zijn niet aan hem besteed. Die schrijven voor een luisterend publiek dat hun teksten in één keer moet snappen en dat maakt dat die teksten ook in één keer te snappen zijn. Klaar en uit. Pfeijffer citeert Longinus `Over het sublieme': ,,Het is de natuur die ervoor zorgt dat onze bewondering niet uitgaat naar de kleine stromen, helder en nuttig als ze zijn, maar naar de Nijl, de Donau of de Rijn, en nog veel meer naar de Oceaan.''

Pfeijffer steekt niet onder stoelen of banken dat hij zijn eigen poëzie veel dichter in de buurt van de Nijl vindt komen dan die van zijn performende collega's en hij aarzelt ook niet om geregeld uit eigen werk te citeren en duidelijk te maken waarom het volgens hem zó geschreven moest worden, en niet `verstaanbaar'. ,,Gewone spreektaal is er al genoeg.''

Pfeijffers stuk is duidelijk een stuk van iemand wie de poëzie ter harte gaat. Zo zijn alle stukken in dit nummer dat `Over poëzie' heet en dat geheel is volgeschreven door vurige minnaars van, over het algemeen, niet overdreven toegankelijke poëzie. Allemaal willen ze moeite doen, allemaal houden ze van taal die zichzelf niet vanzelfsprekend vindt, gedichten die geen allemansvrienden zijn. Dat is opwekkend, al deze gretige inspanning, maar het geeft ook het gevoel dat poëzie toch vooral iets moeilijks is voor kenners. Het is niemands bedoeling om dat gevoel te verspreiden, maar enigszins gebeurt het toch. Nu ja, beter wellicht dan vrijblijvend gebabbel.

Dat het soms ook voor willige lezers niet meevalt met onwillige poëzie, blijkt uit de brieven die Huub Beurskens aan zijn collega-dichter Marc Kregting schrijft over diens laatste bundel. Beurskens daagt Kregting, die beslist geen gebruik maakt van `gewone spreektaal', uit door hem een soort karikatuur van zijn gedichten voor te leggen. Kregting gaat erop in. Hij vindt `de gemiddelde poëziebundel', die volgens hem geënt is op `Het Heldere Raadsel' maar niks: ,,Ik vind die panharingpoëzie betuttelend, cerebraal en ondemocratisch.'' En bovendien krijgt zulke poëzie alle aandacht en alle prijzen schrijft hij. Hij wil `iets toevoegen'. Iets anders. Beurskens antwoordt terecht ,,dat ik vind dat je in je antwoord ook een pruillip trekt. Volgens mij heeft kunst weinig, misschien niets, met democratie te maken. (...) Plezier, hoe grimmig soms ook, is de enige mogelijke motivering, het enige legale alibi dunkt me.'' Gelukkig maar. Al denkt Kregting daar anders over: ,,Wat precies het plezier aan kunst is, begrijp ik niet. Van de wereld wel.'' Toch wil hij kunst maken, dat is het raadsel, ook voor hemzelf.

Dichter en poëziecriticus Marc Reugenbrink wil nu eens een eind maken aan de verschrikkelijke spraakverwarring die er is ontstaan rond de begrippen `anekdotische' versus `autonome' poëzie, `zuivere' versus `onzuivere', `moderne' versus `postmoderne' en ga zo maar door. Iedereen schermt met zulke termen en niemand heeft meer enig idee wat de ander, of hijzelf, eronder verstaat. Daarom probeert Reugenbrink deze klittenbos eens uit te kammen. Hij doet dat met veel kennis van zaken en op een rustige toon - Reugenbrink is een neerlandicus die zich er, dat siert hem, helemaal niet voor schaamt dat hij neerlandicus is. Hij weet wat erover poëzie-opvattingen is geschreven, hij volgt de vakliteratuur en hij legt uit waar hij staat en waarom. Dit is een stuk voor ware liefhebbers, en het is een goed stuk ook.

Bzzlletin nr. 274. Uitg. BZZTÔH, prijs f17,50