Kamer eist geld voor gezinsvoogden

De Tweede Kamer wil dat jongeren die in het criminele circuit dreigen te raken, eerder strenge begeleiding en bijstand krijgen. Daartoe moet meer geld worden uitgetrokken voor gezinsvoogden.

Vrijwel alle fracties in de Kamer namen het gisteren bij de behandeling van de Justitiebegroting op voor de jeugdbeschermers, die vorige week in actie kwamen tegen de veel te hoge werkdruk. Gemiddeld kunnen zij niet meer dan anderhalf uur per maand met probleemjongeren en hun ouders praten. Er is 30 miljoen gulden nodig om het aantal jeugdbeschermers op een aanvaardbaar niveau te brengen.

De Kamer had ook kritiek op de lange wachttijden voor jongeren die worden verdacht van een strafbaar feit. Uit een rapport over de jeugdstrafrechtsketen dat de Kamer gisteren ontving, blijkt dat zij gemiddeld negen maanden moeten wachten voordat hun zaak voor de rechter komt. Van de straf die dan wordt uitgesproken kan moeilijk een pedagogisch effect worden verwacht, omdat er gevoelsmatig nog nauwelijks een relatie met het misdrijf kan worden gelegd. Bij lichte feiten die kunnen worden afgedaan met een taakstraf of een boete, is de wachttijd voor een zitting meer dan tien maanden. Kinderen die in een inrichting moeten worden geplaatst, wachten gemiddeld vijf maanden voordat er een plaats is. Met name het Kamerlid Kalsbeek van de grootste coalitiefractie PvdA toonde zich gisteren geschokt door de cijfers.

Oorzaak van die lange wachttijden is onder andere het gebrek aan afstemming tussen politie, openbaar ministerie, kinderbescherming en jeugdhulpverlening. Maar ook gebrek aan medewerking van jongeren aan het onderzoek leidt volgens de onderzoekers tot onnodig oponthoud.

Er worden veel te weinig misdrijven opgelost, zo oordeelde de Kamer. Van de misdrijven wordt thans net iets meer dan 15 procent opgehelderd. Bij de presentatie van zijn begroting, vorige maand, gaf minister Korthals zelf al aan dat hij niet kan instemmen met zo'n krap percentage, maar hij wees er wel op dat het een `overall-cijfer' betreft dat geen zuivere graadmeter is voor de werkelijke prestaties van de opsporing. Zo trekken `eenvoudige' misdrijven als fietsendiefstal en vernieling de score sterk naar beneden. Korthals heeft de Raad van Hoofdcommissarissen inmiddels gevraagd een gedifferentieerd systeem te ontwikkelen, waardoor een duidelijker beeld ontstaat.

Het Kamerlid Kalsbeek noemde het teleurstellend dat een percentage van nul bij fietsendiefstallen inmiddels als een fact of life wordt gezien. Twaalf procent bij woninginbraken is volgens haar moeilijker te verkroppen, maar nog geen vijftig procent bij moord, doodslag en mishandeling is voor haar ,,ronduit onverteerbaar''.