Geen `streelminister' voor boer

Kok II is begonnen aan de tweede helft van de kabinetsperiode. Minister Brinkhorst (Landbouw en Natuurbeheer) wil herinnerd worden als vernieuwer.

Groot was de verontwaardiging onder de boeren toen Landbouwminister Brinkhorst in september in het Gelderse Zetten een klagende boer antwoordde: ,,U zou miljonair kunnen zijn. Waarom verkoopt u uw bedrijf niet?'' De beledigde boeren zagen in die opmerking een bevestiging van wat zij al vreesden: de Europese technocraat Brinkhorst is minister geworden om de Nederlandse landbouw op te doeken.

De minister zelf denkt daar uiteraard anders over. ,,Ik ben geen streelminister voor de boeren'', gaf hij welwillend toe aan Kamerleden die hem verontrust voorhielden dat de minister ,,wel dient uit te dragen dat de Nederlandse landbouw iets is om trots op te zijn''. Deze minister is ook trots, legde hij vervolgens minzaam uit: Nederland is nog altijd de tweede agro-macht in Europa en levert hoogwaardige producten.

Maar wie hem vraagt naar de landbouwsector, krijgt niet minder dan een oorlogsverklaring te horen, zij het met verzoenende uitleg: ,,Er is om de boeren een heel schild van agrarische organisaties opgebouwd. Dat ben ik nu hardhandig aan het doorbreken. Boeren vinden mij koel en afstandelijk, maar dat ben ik helemaal niet. Het is ook in het beláng van boeren. Voor landbouw als geïsoleerde sector is geen toekomst meer.''

D66-veteraan, ex-Europarlementariër en voormalig Europees milieuambtenaar Laurens Jan Brinkhorst kwam medio 1999 tussentijds over uit Brussel om aan zijn politieke prijslijst toe te voegen wat nog steeds ontbrak: een ministerschap. Hij kwam, zoals hij zelf zegt, ,,achterstallig binnen'' in Paars II. Zijn voorganger, Apotheker, was opgestapt omdat hij er niet in slaagde binnen het kabinet steun te winnen voor zijn mestbeleid. Eerder had Paars I-minister Van Aartsen de boeren al tegen zich in het harnas gejaagd door via compensatieloze onteigening de varkensstapel te willen terugdringen. Varkenshouders kregen die regeling van tafel door naar de rechter te stappen.

Vergeleken met de turbulentie onder zijn voorgangers speelde Brinkhorst de eerste helft van Paars II uit met opvallende soepelheid - en het nodige crisismanagement. Hij sloeg zich zonder averij door crises met dioxine-kippen (nadat hij het dossier had overgenomen van zijn minder doortastende staatssecretaris Faber) en varkenspest. Een gerechtelijk proces van de Europese Unie om Nederland te dwingen tot naleving van de internationale nitraatrichtlijnen tegen het mestoverschot, draaide hij om tot argument voor een nieuw mestbeleid, gesteund binnen én buiten het kabinet. Hij won de boeren voor een uitkoopregeling om de varkensstapel terug te dringen.

Maar Brinkhorst wil niet alleen herinnerd worden als oplosser van `incidenten' als varkenspest en mestoverschot. Hij wil voortleven als de minister van de omslag van de landbouw van een door overheden beschermde sector naar een `gewone' economische sector, bepaald door vraag en aanbod. In die zin is zijn doel het afmaken van wat in Paars I werd ingezet: een einde aan inkomenssteun en prijscompensaties, met innovatie en vernieuwing als codewoorden.

Maar tot nu toe heeft hij vooral schrík over zijn ideeën over vernieuwing bereikt, door geregeld met een brede zwaai stenen in de vijver te gooien. Zo vindt de pragmatische liberaal Brinkhorst dat Nederland niet kan achterblijven met investeren in biotechnologie, terwijl de Tweede Kamer juist ethische discussies daarover wil. Boeren zien geen perspectief in zijn opmerking dat zij de komende jaren tien procent van de landbouw biologisch moeten maken. En als de minister vervolgens oppert dat intensieve landbouw zoals de varkens- en kippenhouderij misschien beter af is in ,,agroproductieparken'' op industrietereinen gonst de verontwaardiging alom. ,,Het enige wat hij doet is afbreken'', stelde LTO-voorzitter G. Doornbos eerder deze week nog. ,,Geen vernieuwer, maar een koele saneerder'', vindt ook PvdA-Kamerlid Waalkens, toch geen tegenstander van zijn beleid.

Op een ander gevoelig terrein heeft Brinkhorst het politieke tij mee: na diverse Europese voedselcrises zal niemand het belang van een strenge controle op voedselveiligheid betwisten. Brinkhorst wil uiterlijk in 2002 een nationale voedselautoriteit oprichten. Het slagen daarvan lijkt cruciaal voor zijn geloofwaardigheid. Een voorname zorg is het uitbreken van een dioxine-schandaal met kip of paling, of, erger nog, de openbaring van de ziekte van Kreutzfeld-Jacob, die mensen kunnen oplopen na het eten van met BSE besmette koeien. Hij is op dat gebied kwetsbaar door zijn verzekering dat in Nederland ,,zeker'' geen besmet rundervlees in voedsel is gekomen.

Brinkhorst interesseert zich beduidend minder voor natuurbeheer, de tweede poot van het ministerie. Op dat gebied laat hij staatssecretaris Faber dan ook betrekkelijk alleen voortploeteren. Tussen de beide bewindslieden is overigens weinig innigheid merkbaar en vooral veel verschil in temperament en werkwijze. Toch wordt landschapsbeheer steeds belangrijker binnen het ministerie. ,,Ik zou het heel verstandig vinden als bij de volgende kabinetsformatie dit ministerie niet wordt gezien als dat van landbouw en visserij, maar als van de hele keten van agro-industrie''. Brinkhorst spreekt alvast over zichzelf als `minister van Voedsel en Groen'.

Als in een volgend kabinet inderdaad zo'n minister komt, heet die evenwel zeker geen Brinkhorst. ,,Over twee jaar ben ik 65, dan ga ik weer eens wat anders doen.'' Wat? In elk geval niet met pensioen, dat weet hij zeker.

DOSSIER RIJKSBEGROTING 2001 www.nrc.nl/DenHaag

Eerdere delen van deze serie verschenen op 4, 18, 19 en 31 oktober en 3 en 7 november.

    • René Moerland