Boodschappenkar

Ik kom bij de supermarkt om de wekelijkse boodschappen in te slaan. Een paar jongetjes van een jaar of tien lopen te botsen met boodschappenwagens. Bij de rij karren vraagt een van hen fluisterend: ruilen? Hij wil de gulden, ik krijg de kar. Nadat ik op deze deal ben ingegaan, rent het ventje triomfantelijk met zijn kompanen richting kermis, terwijl hij met de gulden boven zijn hoofd zwaait.

Ik vermoed dat het supermarktwagentje een blindganger is, zonder gulden. Bij het inschuiven van de plastic sleutel zal de waarheid aan het licht komen.

Voor mij wenkt een mevrouw met een gulden en ze wijst op mijn lege kar. Een geschenk uit de hemel.

Achteraf bekruipt mij wroeging, als ik me verplaats in de vrouw, als ze de kar terugbrengt: ,,Snap je dat nou, zo'n grote kerel?'