Windmolenparken op Noordzee

Nederland moet samen met het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België en Denemarken ophouden met het verlenen van vergunningen voor olie- en gaswinning op de Noordzee en in plaats daarvan haast maken met het bouwen van grootschalige windenergieparken op de Noordzee.

Dat stelt de milieuorganisatie Greenpeace in een rapport over windenergie dat gisteren is gepresenteerd. Het rapport is in opdracht van de Greenpeace-afdelingen in vijf landen opgesteld door het Deutsches Windenergie Institut.

De regeringen van de vijf landen zouden een deel van de aanlegkosten voor hun rekening moeten nemen, zodat windenergie opgewekt op volle zee de concurrentie aankan met winning van fossiele energie. Nu nog is de bouw van windparken op zee zestig procent duurder dan windparken op land. Daar staat tegenover dat door extra wind op zee veertig procent meer energie kan worden opgewekt dan door windturbines op land. De extra kosten zitten volgens Greenpeace vooral in de aansluiting via zeekabels op de nationale elektriciteitsnetten.

Christine Algera van Greenpeace Nederland: ,,Minister Jorritsma van Economische Zaken heeft onlangs jaarlijks honderd miljoen gulden toegezegd als bijdrage aan het opsporingsonderzoek naar kleinere gas- en olievelden in de Noordzee. Laat ze die honderd miljoen gulden steken in windparken op zee.''

De bouw van grote windparken ver uit de Noordzeekust is volgens Greenpeace vooral nodig om de uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 terug te dringen. Als Nederland vaart zet achter alle plannen voor windenergie, dan zou eenderde van de in Kyoto afgesproken reductie van CO2-emissie door windenergie kunnen worden gerealiseerd.

Voor de vijf Noordzeelanden zou windenergie de komende vijf jaar de besparing aan CO2-uitstoot kunnen vergroten van jaarlijks ruim acht miljoen ton naar ruim 21 miljoen ton, aldus het rapport.