Wijzigen pensioenstelsel kost tijd

In verschillende Europese landen worden discussies gevoerd over de toekomst van de pensioenen. Maar om te stellen dat het Nederlandse pensioensysteem zomaar exporteerbaar zou zijn is een te eenzijdige benadering, meent Ieke van den Burg.

Onder de kop `EU moet haast maken met financiering pensioenen', en met gevoel voor dramatiek (tijdbommen, budgettaire rampen, etc.) zegt CDA Tweede-Kamerlid Jan Peter Balkenende (Opiniepagina, 23 oktober) de andere Europese landen die aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) deelnemen de wacht aan. Wat hem betreft moeten ze hun pensioenstelsels substantieel en snel van omslagfinanciering naar kapitaaldekking omzetten. En als ze dat niet doen, moet het EMU-criterium ten aanzien van de staatsschuld voor hen worden aangescherpt.

Net als Balkeneinde ben ik trots op het Nederlandse pensioensysteem, met name op de zogeheten tweede pijler van collectieve aanvullende pensioenregelingen die door werkgevers en werknemers zijn afgesproken. Maar ik volg in mijn Europese werk ook de vaak heftige discussies over de toekomst van de pensioenen in verschillende Europese landen op de voet. En ik zou hem uit de droom willen helpen dat `ons' pensioensysteem zomaar exporteerbaar is. Bovendien is zijn benadering te beperkt en te eenzijdig.

Helaas heeft Balkenende waarschijnlijk nog niet de zojuist uitgebrachte nota van de Europese Commissie gelezen over `safe and sustainable pensions'. Deze is op dezelfde dag uitgebracht als de ontwerp-EUrichtlijn van Bolkestein waar hij wel aan refereert (11 oktober).

De nota is voorbereid door het Directoraat-Generaal Werkgelegenheid en Sociale Zaken van de Europese Commissie en komt voort uit de besluiten op de Top van Lissabon begin dit jaar. Daar werd de lijn uitgezet van een integrale benadering van het sociaal-economisch beleid: stimuleren van technologisch geavanceerde economische groei, meer en betere werkgelegenheid en een grotere sociale samenhang.

In Europees verband wordt de discussie over de toekomst van pensioenen vaak alleen vanuit de overheidsuitgavenkant (EcoFin) of vanuit de invalshoek van de interne markt (Bolkestein) gevoerd.

De nieuwe Commissienota begint nu tenminste eens duidelijk bij het eigenlijke doel van pensioenen: zorgen voor een fatsoenlijke oudedagsvoorziening, waarmee gepensioneerden en de van hen afhankelijken, economisch zelfstandig kunnen bestaan, zoveel mogelijk op het welvaartsniveau dat ze tijdens hun actieve leven gewend waren. De nota gaat allerminst voorbij aan het feit dat het eigenlijke doel lang niet voor iedereen bereikbaar is en dat er nog grote gaten zitten in de pensioenvoorziening, vooral voor sommige groepen werknemers (vrouwen, van baan wisselende werknemers).

De hoofdlijn van de nota is dat er veel meer nadruk gelegd moet worden op de vergroting van de arbeidsparticipatie in relatie tot de toename van het aantal gepensioneerden.

Hervormingen en aanpassingen van de pensioensystemen zelf zouden ook in het licht van hun effecten op de arbeidsparticipatie bekeken moeten worden. En daarvoor zijn meer veranderingen denkbaar dan alleen het verhogen van de `standaard' pensioengerechtigde leeftijd, een ander hevig omstreden onderwerp. Zo is te denken aan meer flexibiliteit en individuele keuzemogelijkheden met betrekkening tot de uittredingsleeftijd en aan andere methodes om de participatie van oudere werknemers te bevorderen.

Een hogere arbeidsparticipatie en een betere pensioenopbouw van vrouwen kan gestimuleerd worden door in pensioenregelingen meer rekening te houden met zorgperiodes. Een ander belangrijk punt is de mobiliteit van werknemers: deze wordt momenteel sterk belemmerd door onvoldoende onderlinge afstemming van regelingen. Aanpassing van systemen aan individueel verschillende loopbaanpatronen is in dat verband ook wenselijk. De kunst is om een beleid te ontwikkelen waarbij het mes aan twee kanten snijdt: verbeteringen in de inhoud en kwaliteit die een positief effect hebben op de arbeidsparticipatie en dus tegelijkertijd de financierbaarheid van de pensioenen op termijn veilig stellen.

Uiteraard zal ieder land zijn eigen politieke uitgangspunten moeten ontwikkelen passend bij het specifieke karakter van de pensioentraditie. Er is niet een bepaald standaardrecept. Lidstaten kunnen uiteraard wel van elkaar leren. Daarom is het goed dat ook op het terrein van de pensioenen en breder de sociale zekerheid en de zorg, een proces van uitwisseling en `benchmarking' tot stand komt.

Daarbij blijft het natuurlijk van belang te hameren op een gezond overheidsbudget, en vermindering van de staatsschuld. Maar de discussie wordt natuurlijk pas interessant als je gaat praten over de manier waarop je dat budget gezond kunt maken, en die schuld kunt aflossen.

Die zou voor iedere lidstaat op zijn eigen wijze in een `policy mix' moeten passen, die groei, werkgelegenheid, en een hoge arbeidsparticipatie, gekoppeld aan een hoge kwaliteit van het bestaan en sociale cohesie (bestrijding van armoede en sociale uitsluiting) tot doel heeft. Dat is de `missie' die de Top van Lissabon heeft uitgedragen en waaraan nu verder gewerkt wordt. Ook in de discussie over de financierbaarheid van de pensioenen heeft zo'n brede benadering verre de voorkeur.

Ieke van den Burg is Europarlementariër en lid van de Socialistische fractie.