KOZENÁ

De jonge Tsjechische sopraan Magdalena Kozená (Brno, 1973) behoort zonder meer tot de meest veelbelovende stemmen van haar generatie. Twee recente opnames belichten Kozená's veelzijdigheid van zeer verschillende kanten. Op Love Songs zingt Kozená, begeleid door pianist Graham Johnson, een compilatie van tweeënveertig romantische liederen van Martinu, Dvorák, en Janácek, allen componisten uit haar vaderland. Met een zorgvuldige tekstvoordracht en hoorbaar veel liefde voor het repertoire doet Kozená de veelal relatief onbekende liederen veel recht aan. Beknopt, eenvoudig en zeer aansprekend zijn de acht liederen die Martinu samenbracht in een cyclus met de naam Nieuwe miniaturen en datzelfde geldt voor zijn zeven Liederen van één bladzijde. Ook de Moravische volksliederen van Janácek worden gekenmerkt door stille eenvoud, die Kozená en Johnson ingetogen en gevoelvol vertolken.

Kozená's kwaliteiten als liedinterprete zijn op deze opname onmiskenbaar, maar haar lichte timbre bezit in de drie Italiaanse cantates van Händel waaraan haar tweede opname is gewijd, wellicht nog een nog directere aansprekendheid. Kozená wordt hier begeleid en ondersteund door Les Musiciens du Louvre onder Marc Minkowski, die staan voor een zeer gedreven, luchtige maar kernachtige benadering van Händels muziek in de cantates Delirio amoroso (HWV 99) en La Lucrezia (HWV 145) Op die basis komt ook Kozená tot Händel-vertolkingen vol dramatische en ongepolijste theatrale zeggingskracht in de recititatieven, ingetogen emotionaliteit in de verstilde aria's en sprankelend opspattende virtuositeiten in de coloratuuraria's. In die coloraturen klinkt Kozená en minder klokkend dan Cecilia Bartoli, maar juist door haar lichtere benadering bereikt zij vele verfijningen die bij Bartoli soms worden gemist.

Love Songs van Dvorák, Martinu en Janácek door Magdalena Kozená (sopraan) en Graham Jonhson (piano), (DG 463 472-2); G.F. Händel, Italian Cantatas door Kozená en Les Musiciens du Louvre o.l.v. Marc Minkowski (Archiv 469 065-2)