Kiezen voor natuur is óók cultuur

Natuurbescherming is vanouds een zaak voor betrokken burgers. Ze maakt deel uit van een goed georganiseerde civil society en een goed functionerende democratie, vindt Frans Evers.

Het is niet alleen pure zakelijkheid, maar ook emotie. Ruimte is zeker een zaak van `tussen de oren'. De inzendingen voor de essaywedstrijd `Strijd om de ruimte' (Zaterdags Bijvoegsel, 28 oktober) laten dat in een waar palet aan invalshoeken zien. Opvallend is dat zoveel mensen het opnemen voor het boerenland, het gewone Nederlandse cultuurlandschap. Een mooi tegenwicht tegen de colomn van Nelleke Noordervliet in de Volkskrant waarin ze beschrijft hoe zo langzamerhand natuur en boerengebruik niets meer met elkaar te maken hebben. De landbouw zit de laatste jaren duidelijk in de hoek waar de klappen vallen. De ooit machtige bedrijfstak moet nu vaak letterlijk plaats maken voor allerlei andere ruimtelijke functies. Van woningbouw tot waterbeheer, van natuurbescherming (inclusief recreatie) tot de komst van nieuwe bedrijventerreinen.

Velen ervaren het verdwijnen van landbouwgebieden of – nog erger – de diffuse onttakeling er van, als een bijna persoonlijke verarming. Bij het cultuurlandschap gaat het om het land waarin we willen wonen, de omgeving waarin we ons geborgen weten. We willen geen ontheemden in eigen land worden. De nota Belvedere van het kabinet vraagt aandacht voor cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening. Zij kwam in 1999 geen moment te vroeg.

Sommige inzenders spreken vanuit de optiek van de cultuurhistorie met enig dédain over `de nieuwe natuur'. Ondanks alle tromgeroffel van natuurontwikkelaars slaat de vonk kennelijk niet over. En ook niet het besef, dat natuurontwikkeling voortkomt uit de ontstellende achteruitgang van de natuur in de afgelopen decennia. In oppervlakte en vooral in kwaliteit. Het Natuurbeleidsplan en het idee van de Ecologische Hoofdstructuur (1990) vormden daarop een historisch belangrijk antwoord. Niet altijd meer louter incasseren, in het defensief, maar ook eens in het offensief.

De Tweede Kamer en achtereenvolgende kabinetten zijn altijd achter de EHS blijven staan. Eerst die opdracht afmaken en niet steeds iets nieuws verzinnen. Laten we bovendien tempo maken. Ieder jaar wordt de grond duurder. Niet voor niets is de Tweede Kamer geïrriteerd over het manoeuvreren van staatssecretaris Faber op dit punt. Concrete voorstellen uit natuurbeschermingsland en positieve suggesties vanuit de Tweede Kamer zijn te lang genegeerd.

Allerlei oudere natuurkernen moeten en kunnen de basis blijven voor een goede ruimtelijke ordening in onze land. Dat spoort ook met het idee van water als structurerend principe en het vinden van aantrekkelijke plekken om te wonen. Voor wie wil, is het grote beeld gauw te begrijpen. Het gaat dan nog nauwelijks om tegenstrijdige ruimteclaims. De combinatie van kwantiteit en kwaliteit, daar gaat het bij het natuurbeheer om. Het water is vaak de verbindende factor. Altijd weer dat water.

De Commissie Waterbeleid 21ste eeuw toonde aan dat in hoog en laag Nederland het omgaan met water dé uitdaging van deze 21ste eeuw wordt. En dan gaat het niet alleen om allerlei grotere wateren, maar ook om de fijnste vertakkingen van onze watersystemen. Het water vraagt vooral decentrale inventiviteit. Die is nadrukkelijk integraal. De tijd dat alleen overheden over het water gaan is voorbij. Van burgers en maatschappelijke organisaties wordt participatie verwacht. De natuurbescherming kan dit niet laten liggen. Organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten dienen hier hun verantwoordelijkheid te nemen. Bij het beheer van uiterwaarden bijvoorbeeld, bij het beheer van calamiteitenpolders, bij de concretisering van het idee van water als leidend principe in de ruimtelijke ordening.

Water, ruimte en grote aaneengesloten natuurgebieden hebben alles met de kwaliteit van de recreatie te maken. Juist door het gebrek aan ruimte is het daarbij woekeren. Frans van der Helm gaf daar in `Het grote genieten' (NRC Handelsblad van 14 oktober jl.) een uitvoerige cultuurschets van. De natuur als ruimte is tot een begerenswaardig consumentenproduct verworden, zo stelt Van der Helm. En natuurbeherende organisaties leggen zich daar, denkt hij, bij neer. Dat is wat Natuurmonumenten betreft maar half waar.

Genieten van de natuur is in de natuurbescherming altijd al een belangrijke invalshoek geweest. In de vroegste jaren van Heimans en Heinsius, van Van Tienhoven en Thijsse werd er zelfs van `natuursport' gesproken. Maar het had allemaal iets terloops, iets vanzelfsprekends. Recreatie is de laatste jaren echter duidelijk als beleidsonderwerp naar voren gekomen. Als onderdeel van het praktisch natuurbeheer, als element in de maatschappelijke profilering en ook als motief bij het verwerven en behouden van een trouwe achterban.

Bij de Vereniging Natuurmonumenten blijft de natuur primair. Er is volop ruimte voor recreatie. Ruim negentig procent van ons terreinbezit is voor wandelaars toegankelijk. Maar de recreatie moet wel dienstbaar blijven aan de natuur. Indirect vooral, in de sfeer van draagvlakvergroting. Daadwerkelijk contact met de natuur dus om de grote waarde er van te leren zien èn te leren verdedigen. Recreatie mag individuele soorten of hele ecosystemen niet frustreren. Recreatie in de terreinen moet bovendien rechtstreeks verband houden met natuurbeleving. De vereniging gaat het bij dit alles vooral om kwaliteit. Natuurmonumenten is er niet op uit eindeloze massa's mensen het veld in te jagen.

Als grote organisatie heeft Natuurmonumenten een maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar vooral toch verplichtingen tegenover de natuur. En inderdaad, niet alle natuur is voor natuurbeleving en recreatie geschikt. Vaak is dat echter wel het geval. Maar Van der Helm heeft ook gelijk: het is zaak een gevoelige antenne te houden voor tirolisering, vertrutting en ongewenste commercie. Juist de ongereptheid, de natuurlijkheid en het dynamische zijn elementen, die je nooit mag opgeven. Daar vertrouwen onze leden al 95 jaar lang op.

Behoud van het cultuurlandschap, het waterbeleid, de verhouding natuur en recreatie. Ze bepalen voor een deel de strijd om de ruimte. Maar terecht wijst een aantal deelnemers in de essay-prijsvraag op andere componenten. De combinatie van bevolkingsdruk, economische groei en mobiliteit bijvoorbeeld. Ieder in hun soort al bijna onaantastbaar, want deel van onze cultuur. Slechts weinigen durven de vrijheid die aan deze ontwikkelingen ten grondslag ligt, fundamenteel aan de orde te stellen. Ministers, als ze al zouden willen, geven het op. Ruimer wonen. Autorijden is fun. En elke hectare nieuwe natuur moet voor de poorten van het economisch distributieparadijs worden weggesleept. Vele signalen wijzen daar al op: zie de Gelderse Vallei, zie Zwolle, zie Arnhem-Nijmegen, zie tal van voorbeelden in Brabant of Zuid-Limburg. We weten het, we zien het, kennen de bezwaren, maar als samenleving als geheel laten we het gebeuren.

Soms wordt een afgesproken grens overschreden. Een Europese richtlijn of een `nee-tenzij-principe'. Dan maken natuurbeschermers soms de weg naar de Tweede Kamer, naar de rechter. En daarvoor krijgt dan de Vereniging Das en Boom de Prins Bernhardcultuurprijs.

Natuurbescherming is vanouds een zaak van particulier initiatief, van betrokken burgers. Samen hebben zij organisaties opgericht, die de waarden van natuur en milieu bewaken. Het vertrouwen in deze waar te maken – ook in de strijd om de ruimte in Nederland – bepaalt ons handelen. Mèt de bereidheid daarvoor verantwoording af te leggen, als deel van onze cultuur, als deel van een krachtige, goed georganiseerde civil society en een goed functionerende democratie.

Frans Evers is hoofddirecteur van de Vereniging Natuurmonumenten