Bekorte loopbaan

Menig voetballer heeft vanwege de vijf oorlogsjaren een veel kortere interlandloopbaan gehad dan wanneer het tussen 1940 en 1945 vrede was geweest. Een voorbeeld dat mij te binnen schoot, betreft Herman Choufoer van ADO die slechts één keer in het oranje speelde (in 1940) maar die, toen een redacteur van de Revue der sporten zich in 1943 zette aan het vervaardigen van een theoretisch Nederlands elftal, daar zeker een plaats in zou hebben gekregen. Hij schreef toen dat Choufoer snel zich van uitstekend clubspeler ontwikkeld had tot volwaardig international.

Wie waren de overige zogenaamde internationals? Als keeper had de schrijver de keus uit drie doelverdedigers: Piet Kraak, Wim Landman en Joop Wille (EDO). Tot veler verbazing ging zijn voorkeur uit naar Wille. Na Choufoer zou hij Bertus Caldenhove hebben opgesteld, net zo'n technisch type als Choufoer. Caldenhove kon op de vierkante meter en zonder een glijpartij (sliding) een speler de bal afnemen en een correcte pass geven. Wie moesten het middenveld vormen? Op rechts de SVV'er Poulus (die boven de Feyenoorder Bas Paauwe werd geprefereerd), als spil aarzelde onze man tussen de stoere VSV'er De Vries en de Hagenaar en VUC-speler Bob Stam, die sneller en technischer was dan De Vries.

Een linkshalf ben ik in de opstelling niet tegengekomen. Laat ik het houden op Arie de Vroedt van Feyenoord. Als linksbuiten kon men absoluut niet om Bertus de Harder heen, als linksbinnen niet om Kick Smit. Als middenvoor wilde men teruggrijpen op Wim Lagendaal, het kanon van Xerxes — waarom eigenlijk niet op Bep Bakhuis, die in 1943 voor het Franse FC Metz speelde? —, rechtsbinnen zou de HBS'er Anton van der Vegt spelen of Han Engelsman van Quick Nijmegen. En Guus Dräger van Ajax zou de ploeg als rechtsbuiten completeren. Verbazingwekkend: geen plaats voor Faas Wilkes (te jong?) of Kees Rijvers, en al helemaal niet voor Abe Lenstra!

Nou ja, het was allemaal `spielerei'. Het zou nog tot 1946 duren eer een officieel Oranje-team binnen de krijtlijnen verscheen.