`Tsjechische' Mahler-V van Edo de Waart

Energie en emotionaliteit verbonden zaterdagmiddag in het Amsterdamse Concertgebouw de werken van James MacMillan (The World's Ransoming) en Gustav Mahler (Vijfde symfonie) in oppervlakkige zin. De muziek van de 41-jarige Schot annexeert de bombastische buitenkant van Hollywood en Mahlers Adagietto, volgens Vestdijk `schaamachtig kort verdwaald in de grote symfonie', is weliswaar niet vrij is van sentimentaliteit, maar verder herinnert dan ook niets aan Hollywood.

Mahlers Tsjechische komaf lijkt in de Vijfde het meest prominent aanwezig. Bijkans bruut rekent hij af met de paradijselijke onschuld van de vorige vier symfonieën en robuust is al sinds de Mannheimers een kenmerk van de Tsjechische muziek. Nieuw is de vorm zeker van het tweede deel waarin van alles terugkeert maar steeds gevarieerd, nieuw is het scherpe contrapunt in een muziek zonder schaduwen, hel en hard, wars van wollige vulstemmen, nieuw is de verzelfstandigde instrumentatie waaraan de componist zijn leven lang bleef sleutelen, nieuw is het lange centrale scherzo met een Klangfarben-effect vanaf maat 271 — al zet dit pas goed door in het eerste deel van de Zesde — en wat de metamorfose van een onschuldige Ländler in een bijtend parodistische Weense wals betreft, daarop past het nog eigentijdser etiket van `decompositie'. Ongekend stuwend zijn de hoornsoli. Mengelberg plaatste op de Nederlandse première de hoornist zelfs vooraan op het podium!

Uitgesproken provocatief zou ik de lezing van Edo de Waart niet willen noemen, wars als hij is van overdrijving of al te peuterig detaillisme. De Waart zoekt het vooral in de grote lijn. Indrukwekkend is hoe hij de spanning in de hoekdelen geen moment laat verslappen. Detaillistisch valt er het nodige te wensen, pianissimi worden soms genegeerd, zoals in het eerste deel in maat 112 waar de violen en daarna de alten te sterk over de celli héén inzetten, voor het negeren daarvan in maat 132 valt nog iets te zeggen, maar een te sterke inzet (notabene drievoudig piano!) in maat 132 staat de opbouw in de weg. In ieder geval komt deze globaliteit een uitgesproken gespierde `Tsjechische' lezing zeer ten goede.

In MacMillans The World's Ransoming in de vorm van een concert voor Engelse hoorn en groot orkest op thema's ontleend aan het Gregoriaans overtuigde soliste Miriam Hannecart-Jakes met prachtig strak geblazen lange lijnen ontspannen in alle registers. En daarmee is meteen MacMillans kracht aangegeven: hij weet uitstekend voor de instrumenten te schrijven. Té effectvol zelfs, met al die cymbales antiques, pingetjes en tinkelingetjes van het klokkenspel. Onvervalste `buitenkant'-muziek in een gespeelde emotionaliteit.

McMillan weet wat sfeer is, om van een suikerzoete kleuring maar verder te zwijgen en daarbij blijft het. Hij flirt zowel met de statische Nieuwe Spiritualiteit als met een apocalyptische betoogtrant. Hij wil te veel en valt daarbij tussen de wal en het schip. Fascinerend als een deemoedige Tavener is hij allerminst en nog minder opwindend dramatiserend als Schnittke – hij oriënteert zich graag op de Russen zoals in de Oestwolskaja-achtige keiharde klappen aan het slot. MacMillan weet niet te kiezen, houdt het op een oppervlakkige flirt. Mahler deed wel degelijk een keuze en maakte van de Vijfde zijn Eroïca.

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart. Gehoord: 4/11 Concertgebouw, Amsterdam. Uitzending Radio 4: 8/11 20.02 uur.

    • Ernst Vermeulen