Meer overheidsgeld is niet altijd goed voor de kunsten

De extreme overheidsbemoeienis met de podiumkunsten kent een aantal grote nadelen. De afhankelijkheid van subsidies is veel te groot en er treedt oneerlijke concurrentie op, vinden Hans Abbing en Pieter van Os.

In de opmaat van het debat over de Cultuurnota roepen actievoerende kunstenaarsorganisaties, verontwaardigde Kamerleden en zelfs de voltallige Raad voor Cultuur dat de regering in deze tijden van economische groei meer geld voor de kunst moet vrijmaken. Staatssecretaris Van der Ploeg zelf heeft er op aangedrongen de discussie over zijn Cultuurnota vooral op uitgangspunten te voeren. Tevergeefs, zo blijkt nu al.

Het debat wordt overstemd door de slachtoffers van de nota, die steen en been klagen over de teloorgang van hun eigen club indien de staatssecretaris na een eerste extra veertig miljoen gulden niet alsnog met meer over de brug komt. Samen met bijna de gehele kunstwereld gaan zij er hierbij voetstoots van uit dat meer overheidsgeld altijd goed is voor de kunsten. Deze gedachte lijkt boven elke twijfel verheven, terwijl ze moeilijk is te bewijzen. Sterker, de extreme overheidsbemoeienis met de podiumkunsten zoals die in Nederland bestaat, kent een aantal grote nadelen.

De structureel gesubsidieerde instellingen ontvangen in Nederland gemiddeld meer dan tachtig procent van hun inkomsten van de overheid, terwijl dat in Engeland 45 procent is en in Amerika 10 procent. De toedeling van subsidie gaat schoksgewijs. Alleen periodiek kunnen de verschillende overheden laten weten hoe ze over de producten van de gesubsidieerde instelling denken. Daarbij zijn ze beduidend minder voorspelbaar dan de markt, die geleidelijker werkt.

De kunstinstellingen hebben te maken met plotselinge en zeer ingrijpende veranderingen van het budget. Daardoor zijn alle betrokkenen steeds weer geneigd om kool en geit te willen sparen door het bestaande beleid nauwelijks te wijzigen. Dat is ook waar kunstinstellingen en parlementariërs op dit moment op uit zijn. De prijs die daarvoor op lange termijn wordt betaald is hoog. Een dergelijke, conservatieve koers leidt tot culturele verstarring en uiteindelijk onvermijdelijk tot drastische ingrepen, met alle personele en andere schade van dien.

Door de grote afhankelijkheid van de overheid heeft een negatief overheidsoordeel, in samenhang met het schoksgewijze beleid, bijna altijd desastreuze gevolgen voor de gesubsidieerde. Het is alles of niets. In Nederland is het verschil tussen overheidssteun en het `op eigen benen staan' onoverbrugbaar. De culturele instelling die volgens de Raad geen recht meer heeft op subsidie, maakt op de vrije markt geen schijn van kans.

Een bijkomend nadeel is dat er oneerlijke concurrentie optreedt tussen kunstinstellingen die hun kosten terugverdienen op de markt en kunstinstellingen die hun kosten bijna volledig vergoed zien door de overheid. Concurrentie tussen de door de overheid gesubsidieerde kunst en commercieel uitgebate kunstuitingen in het marktcircuit zou tot inspiratie en vernieuwing kunnen leiden, maar bij tachtig procent inkomsten van de overheid is de strijd te ongelijk. Een hoge status en het predikaat `serieuze kunst' worden gemonopoliseerd door de gesubsidieerde instellingen. Door deze financiële en symbolische concurrentievervalsing leveren commercieel opererende groepen in Nederland bijna altijd kunstzinnig oninteressante producten, terwijl dit absoluut niet inherent is aan marktwerking. Het is geen toeval dat in Engeland en de Verenigde Staten, waar het statusverschil tussen overheidscircuit en marktcircuit minder groot is, steeds weer interessante vormen van `lage kunst' ontstaan, zoals de veel geroemde en vernieuwende `Britpop', terwijl Nederland het met liedjesventers als Marco Borsato moet doen.

Het belangrijkste nadeel van een systeem waarin de gesubsidieerden totaal afhankelijk zijn van de overheid, is dat deze nauwelijks geïnteresseerd zijn in kostenbeperking of in de wensen van de kunstconsument, die immers bijna niet aan het inkomen bijdraagt. Wiens brood men eet diens taal men spreekt. Het kunstgenot van het reguliere publiek is van minder belang dan het oordeel van één of twee leden van een adviesorgaan. Over de rug van de gewone bezoeker werkt een culturele instelling voor een derde partij, de overheid, waaraan ze een imaginaire dienst levert. Door dit imaginaire karakter spelen hierbij allerlei verwachtingen, speculaties en misverstanden een rol. Abstracte noties van hoge kunst komen in de plaats van feitelijke voorstellingen voor echt bestaande mensen. De overheid stelt niet alleen kwaliteitseisen, maar ook eisen die betrekking hebben op de kosten en de wensen van het publiek. Toch blijkt uit de klachten van de huidige slachtoffers van de Cultuurnota dat deze gemengde, of zelfs tegenstrijdige eisen alleen maar leiden tot irritatie, desoriëntatie en zelfs rechtszaken wegens onzorgvuldig bestuur.

Door de extreme overheidsbemoeienis met de podiumkunsten ontstaat bij zowel participanten als bezoekers een vertekend beeld van het culturele aanbod. Alleen door de kunstmatig lage prijzen is het aanbodoverschot niet zichtbaar. Dus is men verbaasd dat er eens in de zoveel jaar, inderdaad abrupt, enkele orkesten moeten stoppen. Bovendien bestaat er door het vertekende beeld ook weinig aandacht voor de lange termijn. Het publiek dat concertzalen bezoekt vergrijst. Dat ziet iedereen. Maar pas zeer recent is er aandacht voor het probleem en worden er hier en daar merkwaardig drastische oplossingen gezocht, zoals door de Berliner Philharmoniker, dat in zee ging met de schlagerzanger Udo Jürgens, of door het Residentie-Orkest, dat popster Anouk hoopte te begeleiden en een theater-tour van Paul van Vliet verzorgde; oplossingen die hun doel ver voorbij lijken te schieten.

De schijnbaar onbeperkte stroom overheidssubsidies wekt misverstanden, ook onder aspirant-kunstenaars. Het kunstenaarsberoep, dat door de hoge status van de kunst al aantrekkelijk genoeg is, blijkt nu ook bij een gemiddeld talent financieel haalbaar. Door het verkeerde signaal van de overheid blijft het overschot aan kunstenaars groot, met alle persoonlijke ellende die dat tot gevolg heeft.

In alle redelijkheid kan van de kunstenaars en de kunstinstellingen zelf niet worden verwacht dat ze de nadelen van een subsidieverhoging naar voren brengen. Zij mogen, via de Raad voor Cultuur, het geld dat de gemeenschap hen toebedeelt, onderling verdelen. Maar gek genoeg zal er in het komende cultuurdebat ook geen Kamerlid zijn te vinden die deze nadelen voor het voetlicht zal brengen, want de hoogte van de Cultuurnota wordt algemeen gezien als graadmeter van vaderlandse beschaving. Toch is het nog maar de vraag of de ontwikkeling van de kunst echt gebaat is bij een verhoging van het budget.

Hans Abbing is beeldend kunstenaar en als econoom verbonden aan de vakgroep kunst- en cultuurwetenschappen van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Pieter van Os is politicoloog, en redacteur van het kunst- en cultuurprogramma Opium

als Marco Borsato doen