In de VS doet de wereld niet mee

In de Amerikaanse verkiezingscampagne speelde het buitenland geen rol. Bush of Gore – maakt het voor de wereld iets uit?

Eén keer in de afgelopen maanden borrelde `het buitenland' omhoog uit het campagnemoeras. Dat was toen Condoleezza Rice, de gedoodverfde nationale veiligheidsadviseur van een eventuele president Bush, zei dat de Amerikaanse troepen uit de Balkan zouden worden teruggetrokken. Al Gore voorspelde het eind van de NAVO, maar het land werd er niet koud of warm van. Wie er morgen ook wordt gekozen als president van de Verenigde Staten, hij heeft het niet gewonnen vanwege zijn visie op de wereld. Er zijn geen externe dreigingen die de Amerikanen echt zorgen baren. Het Midden-Oosten is misschien een uitzondering, maar daarover zwegen de kandidaten.

De kandidaten waren het er kennelijk over eens dat met buitenlands beleid geen stemmen zijn te winnen. Het is een blinde vlek in de sollicitatieprocedure voor presidenten die grenst aan nationale roekeloosheid. Of hij het wil of niet, iedere Amerikaanse president besteedt een groot deel van zijn tijd aan verre gebieden die de meeste van zijn landgenoten op de aardbol niet kunnen aanwijzen.

Dat gold ook voor Bill Clinton, die in '91 de zittende president Bush sr. versloeg met de leus dat alleen de binnenlandse economie er toe deed. Hij dacht dat hij het buitenland zou kunnen overlaten aan een paar vertrouwde vakmensen, maar ook de `binnenlandse' president Clinton moest zich rap vertrouwd maken met de problemen in gebieden variërend van Somalië tot Rusland, van Haïti tot ex-Joegoslavië. Hij weet inmiddels op tien straatstenen nauwkeurig waar mogelijke demarcatielijnen door Jeruzalem kunnen lopen. De Republikeinen die gouverneur Bush adviseren verwijten Clinton nog steeds een gebrek aan visie op Amerika's rol in de wereld. Maar de wereld is wel veranderd sinds zij meeregeerden.

Het grootste probleem voor iedere nieuwe Amerikaanse president in deze tijd is dat hij aan het hoofd staat van de eerste onbetwiste wereldmacht zonder een helder mandaat. Ja, hij mag de `vitale Amerikaanse belangen' verdedigen, maar waar die precies beginnen en ophouden is de vraag. Ging de Golfoorlog over het redden van Koeweit, de Amerikaanse olietoevoer of het straffen van een van de laatste openlijk anti-Amerikaanse despoten? Was de humanitaire ramp in Kosovo groter dan die in Rwanda, waar de Verenigde Staten niet hebben ingegrepen?

Slechts twee à drie procent van het Amerikaanse publiek vindt buitenlands beleid de belangrijkste zaak waar het land mee te maken heeft. Het Congres bestaat – zeker na morgen – voor een ruime meerderheid uit mensen die na '92 naar Washington zijn gekomen. Zij vertegenwoordigen de Amerikaanse huiskamerwereld van na de Koude Oorlog. Het resultaat is, wat James Lindsey in het september/oktober nummer van Foreign Affairs heeft genoemd `apathisch internationalisme'.

Het maakt het voor de president moeilijker aandacht, laat staan steun te krijgen wanneer hij meent dat overzees optreden geboden is. Het leidt tot hobby-standpunten van Congresleden. Men snijdt eenzijdig op de bijdrage aan de Verenigde Naties, verbindt allerlei voorwaarden aan het (gedeeltelijk) nakomen van de verplichtingen en realiseert zich niet hoeveel weerstand dat gedrag in het buitenland opwekt, of men heeft er lak aan. Minister van Financiën Larry Summers heeft gezegd dat dit lusteloos wereldleiderschap leidt tot malign neglect van het internationaal aanzien van de Verenigde Staten.

De Republikeinse critici van het buitenlands beleid van de de afgelopen acht jaar stellen dat de Democraten de Amerikaanse troepen en aandacht te dun hebben uitgesmeerd over de wereld. ,,We can't be all to all people', is een van de meer diepzinnige uitspraken van gouverneur Bush op dit punt. Zijn werkelijke aanspraak op vertrouwen ligt in de ervaren mensen waar hij straks een beroep op kan doen. Hoewel, in de frontlijn brengt hij relatief nieuwe gezichten.

Zaterdag nog voerde hij opnieuw campagne met ex-generaal Colin Powell aan zijn zijde, van wie hij hoopt dat ,,zijn belangrijkste periode van nationale prestaties nog voor hem ligt'. Buitenlandse Zaken zou Powells volgende bestemming zijn. Bush' andere troefkaart, Condoleezza Rice, is een protégee van Reagans oud-minister van Buitenlandse Zaken Schultz. Zij lette op de Sovjet-Unie in de Nationale Veiligheidsraad onder president Bush. Deze twee weerspreken het verwijt dat Bush jr. alleen maar drijft op de oude garde van zijn papa, waar kandidaat vice-president Dick Cheney (destijds minister van Defensie) overigens een voorbeeld van is. En Bush jr. laat zien dat hij er geen moeite mee heeft twee `African Americans' op zulke vertrouwensposten te zetten, terwijl de zwarte stem voor viervijfde naar de Democraten pleegt te gaan.

Dat soort overwegingen hebben meer met binnenlandse dan met buitenlands politiek te maken. De `verbinnenlandisering' van de buitenlandse politiek heeft er volgens buitenlandspecialist James Lindsey van de Brookings Institution ook toe geleid dat het buitenlands beleid speelbal is van het politieke getouwtrek. Dit is geen periode van vrede op het diplomatieke front omwille van het nationaal belang. Dat lukt alleen in tijden van oorlog of verhoogde spanning.

Zijn er dan geen wezenlijke buitenlands-politieke verschillen tussen een Gore- en een Bush-Witte Huis? Geen grote, is het antwoord van de meeste deskundigen. Beiden zijn internationalisten, voor vrijhandel en voor een sterke Amerikaanse defensie. Hoewel Bush een heel nummer heeft gemaakt van `het herstel van de strijdkrachten' heeft Gore er twee keer zo veel voor op zijn begroting staan. Bush leent zijn oor iets meer aan unilateralistische geluiden, Gore is iets meer geneigd de problemen mét andere landen en via multilaterale organisaties aan te pakken. Bush is sceptischer over vredesoperaties, zeker via de Verenigde Naties.

Waar de twee het duidelijkst verschillend over denken is de ontwikkeling van een systeem van ruimtedefensie. Bush wil aan de slag, Gore volgt de Clinton-lijn: eerst meer onderzoek naar de haalbaarheid en meer overleggen, vooral met de bondgenoten, en waarschijnlijk ook met de Russen. Daarom is Poetin voor Gore.

Woensdag weten we meer, als niet alleen de president maar ook de nieuwe verhoudingen in Senaat en Huis van Afgevaardigden bekend zijn. Optimisten zeggen dat de diplomatieke verhoudingen zullen veranderen bij het verscheiden van de oppermachtige Jesse Helms. Waneer hij eindelijk verdwijnt als voorzitter van de Senaatscommissie voor buitenlands beleid, kunnen de Verenigde Staten hun normale rol op het wereldtoneel weer innemen.

DOSSIER: www.nrc.nl:pagina ]