Hoe lang nog?

Hij weet niets, of bijna niets. Hij is maar de baas van de UCI (internationale wielrenunie) en toegegeven, dat is ook niet veel. Hein Verbruggen. Al een tiental jaren voorzitter. En in die tijd is hij bar weinig te weten gekomen over de rare gewoontes in het rare wereldje dat hij vanuit zijn Zwitserse kantoor hoort te besturen. Maar ja, zei Verbruggen afgelopen weekeinde in het Algemeen Dagblad, `Ik ben Bill Clinton niet'. Hoeft ook niet, dunkt me. Maar net als Bill een tijdje terug werd Hein afgelopen week plechtig verhoord. Als burgerlijke partij door een rechter in het vijandige Franse Lille. Zeg maar rustig door mensen die geen flauwe benul hebben van een 54x12 verzet of van een goed uitgevoerde waaier.

Maar, het moet gezegd worden, die amateurs hebben na lang onderzoek en tal van verhoren een vrij duidelijk beeld gekregen van de normen en waarden die wielrenners, verzorgers en ploegleiders hanteren in casus slikken en prikken. Dat hij door diezelfde amateurs voor `lakse bestuurder' wordt uitgemaakt, steekt natuurlijk. Men vindt bijvoorbeeld dat de UCI van Verbruggen maar een schamel deel van haar budget aan dopingbestrijding besteedt. En dat in al die jaren dat de Nederlander aan het hoofd van zijn clubje zetelt het opsporen en bestraffen van EPO-gebruik weinig tot geen vooruitgang heeft geboekt.

Verbruggen is geen Clinton, zou ik zeggen. Hoewel hij af en toe voor machtige potentaat wil spelen wanneer hij, volgens de getuigenis van Bruno Roussel, de ploegleider van het Festina-dopegezelschap in 1994 na de Ronde van Vlaanderen met deze woorden dreigt: `Ik ben in staat, wanneer ik het maar wil, van wie van uw renners ook een positief geval te maken.' Had Verbruggen zijn dreiging maar in het meervoud uitgevoerd, dan had dit de Franse douane, vier jaar later, overuren kunnen besparen.

In het Franse dagblad Libération las ik onder de kop `Verbruggen uitgenodigd bij het bal der schijnheiligen' dat het optreden van Verbruggen in Lille als een `tartufferie' werd gezien. Voor de goede orde: de Tartuffe van Molière is ongeveer het meest hypocriete literaire personage dat men zich kan indenken. Zoiets lees je in Nederland over Verbruggen natuurlijk nooit. Hij kreeg meestal van die mooie laurierkransen zoals een landgenoot die een hoge internationale functie vervult betaamt. Ongeacht zijn prestatie. Zie Wim Duisenberg.

Terecht natuurlijk. Hein Verbruggen heeft zich in de loop der jaren van zijn UCI-voorzitterschap vooral onderscheiden door verbale begaafdheid als het gaat om het hard aanpakken van acteurs op het dopingtoneel. In het bijzonder is hij altijd goed op dreef tegen controleurs en klokkenluiders. Over de Duitse dopingjager Donike zei hij tien jaar geleden, ik citeer uit mijn hoofd: `Die man is een autoriteit terwijl hij niets meer doet dan zeik controleren'. Voor (achteraf)klokkenluiders als Steven Rooks, Maarten Ducrot en Peter Winnen kan hij geen `respect' opbrengen. Na hun bekentenis in Reporter van de KRO hoefden deze oud-renners niet op enige vorm van gehoor bij de UCI te rekenen. Ze hadden kunnen zeggen: voor ons geen doping. Kous af. Over de getuigenis van oud-renner Menthéour in Lille (zie mijn column van vorige week) zei Verbruggen zaterdag in het AD: `Schei toch uit, die kerel heeft de wielersport niet nodig gehad om zich vol te stoppen met allerlei produkten.' Alom bekend: Je begint met een joint op het schoolplein, dan volgt cocaïne en heroïne en dan pas word je wielrenner. De echte dopingstrijd van Verbruggen is de ingevroren urine van renners uit de laatste Tour zo snel mogelijk door de plee te trekken.

De UCI is een soort sportmultinationaal waar Verbruggen al tien jaar (Bill maar acht) de scepter hanteert. En in die tien relativerende jaren van slap bestuur en vergoelijking is de wielrennerij een karikatuur geworden. In een normaal bedrijf was Verbruggen allang op straat gezet. Ik heb maar één existentialistische vraag: hoe lang nog?