DE HAAGSE STAAT

HOE VAN AARTSEN EERDER TE LIJMEN VIEL ...

`Slijmen Wim, slijmen Wim, slijmen met z'n allen, slijmen tot je niet meer kan en dan maar carnavallen.'

Zou Wim Kan nog in leven en actief cabaretier zijn geweest, dan had hij een oud succesnummer kunnen afstoffen. Het zou beslist koren op de molen van de oude Kan zijn geweest: het gooi-en-smijtwerk, vorige week, tussen premier Kok en minister Van Aartsen, afgerond met verzoenende emotietelevisie (`Het spijt me').

De gedachten gaan terug naar Oudejaarsavond 1960. Nederland had een demissionair kabinet. Het kabinet-De Quay (KVP, ARP, CHU, VVD) was in de dagen vlak voor Kerstmis ten prooi gevallen aan een affaire van niks – zoiets als de Nacht van Wiegel, die het ook niet verder zal brengen dan voetnoot in de geschiedenis.

Aan het politieke crisisje van eind 1960 heeft de Nederlandse politieke geschiedenis twee begrippen overgehouden. Het ene is `jenevercrisis', met dank aan beschonken, opgefokte Kamerleden van de ARP-fractie, die hun minister van Volkshuisvesting naar huis stuurden om een akkefietje met 2.500 woningen, waarmee zij en passant het hele kabinet (slechts tijdelijk) opbliezen.

Het andere begrip is een nieuwe betekenis van het werkwoord `lijmen', het repareren van de breuk in een coalitie, die als zodanig tot Van Dale's woordenboek is doorgedrongen. Het is een vondst uit een liedje van Wim Kan: `Lijmen Jan, lijmen Jan', onder verwijzing naar premier Jan de Quay.

Waarom deze kwestie opgerakeld? Omdat minister Van Aartsen hierin een prominente rol heeft vervuld. Wie? Minister mr. J. van Aartsen, eerst minister van Volkshuisvesting, daarna van Verkeer en Waterstaat in vier achtereenvolgende kabinetten tussen 1958 en 1965.

Minister Van Aartsen, vader van ..., inderdaad.

... EN HOE DIEP DE EMOTIE ZIT ...

De ruzie tussen timmermanszoon Wim Kok en ministerszoon Jozias van Aartsen, die vorige week aan het Binnenhof kortstondig hot is geweest, laat zich politiek-inhoudelijk noch rationeel verklaren. En dus richt de zoektocht zich al snel op minder grijpbare verklaringsgronden. Te noemen vallen: karakter en emotie.

Tweede-Kamerlid Hoekema (D66) voerde dinsdag in het ontspoorde Kamerdebat al aan dat er een psycholoog nodig zou zijn om te kunnen begrijpen hoe de premier en de minister van Buitenlandse Zaken verschillende herinnering kunnen hebben overgehouden aan een gesprek dat zij begin oktober met elkaar hebben gevoerd.

Menig wandelgang-watcher in Den Haag meende nog dieper te kunnen afdalen in beider psyche. In dat verband is aangevoerd dat minister Van Aartsen-II niet alleen in gevecht is geweest met premier Kok, maar ook met het droeve lot van zijn politiek gemaltraiteerde vader.

Wie ooit Jozias van Aartsen op de sofa mocht krijgen, kan zich alvast een beetje `inlezen' met een interview uit het maandblad Opzij van oktober 2000. Van Aartsen laat zich hierin – door hoofdredacteur Cisca Dresselhuys langs de `feministische meetlat' gelegd – diep in de ziel kijken.

We lezen een lange, betekenisvolle zin: ,,Ik ben emotioneel, ik heb geborgenheid nodig, ik moet me ergens veilig voelen, ik heb graag mensen om me heen die ik echt kan vertrouwen, en dat voel ik vaker bij vrouwen dan bij mannen, ik probeer trouw te zijn, ik ben geen snelle jongen, ik kan heel lang aarzelen over dingen (...), ik heb de angst om dingen te missen, maar als ik eenmaal de wissel heb omgezet, wat ik nooit in mijn eentje doe, zet ik ook door.''

Zou Wim Kok dit hebben gelezen? En zou hij toen hebben gezegd: ,,Jozias, mooi gesproken, voor geborgenheid kun je altijd bij me aankloppen''?

Minister Van Aartsen laat zich in Opzij kennen als een gevoelige man, ja zelfs als ,,een moederskind''. Hij zegt dit aan het slot van een passage waarin hij vertelt over De Affaire rondom zijn vader tijdens de Kerstdagen van 1960. Van Aartsen sr. zou de crisis kalm hebben opgevat, maar de moeder en vrouw des huizes heeft er een trauma aan overgehouden: ,,Ze wilde niets meer met die rotwereld van de politiek te maken hebben. (...) Ik heb die hele ellende thuis natuurlijk van dichtbij meegemaakt, hoe mijn moeder zich afsloot, dat zie je als kind, daar doe je vervolgens iets mee.''

Jozias van Aartsen heeft in interviews wel vaker over de kwestie gesproken. Zoals in NRC Handelsblad (12 september 1998), waarin hij iets relativerender klinkt dan in Opzij. Het was ,,politiek theater [geweest] dat er nu eenmaal bijhoort'', vertelde hij toen. Van Aartsen jr. zegt als minister te opereren as his own man: ,,Het is absoluut niet zo dat mijn vader over mijn schouder meekijkt en dat ik voortdurend denk: wat zou hij ervan vinden?''

...BIJ ZONEN VAN POLITIEKE VADERS

Wat drijft politieke zonen van politieke vaders? Het is een vraag die wel vaker opkomt, maar die niet of nauwelijks is te beantwoorden. Ervaringsfeiten zijn slechts beperkt voorhanden. Willem Drees sr. en Willem Drees jr. – het is het belangrijkste voorbeeld dat telkens opdoemt, maar dat weinig aanknopingspunten biedt. In de vorige maand verschenen `nagelaten autobiografie' van `Drees jr.' (Gespiegeld in de tijd) ontstaat geen beeld van een geestelijk afhankelijke zoon die het leven en werken van zijn vader nog eens dik of dunnetjes wilde overdoen en/of de frustaties van zijn moeder wilde compenseren.

Nederland heeft weliswaar een regententraditie, maar de rol van politieke dynastieën mag inmiddels marginaal heten. Minister Benk Korthals had een vader die minister was, in het kabinet-De Quay, evenals Van Aartsen sr. Over het liberale Kamerlid Theo Joekes (1923-1999) is in het verleden wel beweerd dat hij zo graag bewindsman wilde worden, omdat zijn vader het zo ver had geschopt (Sociale Zaken, omstreeks 1950).

Misschien mag een voorzichtige conclusie zijn dat zonen en dochters van politici inmiddels bij voorkeur niet kiezen voor een toekomst in de politiek. Het begrip `politieke dynastie' laat zich in ieder geval beter toepassen in de Amerikaanse politiek dan op de Nederlandse. Van presidentskandidaat Al Gore is wel beweerd dat hij zijn politieke vechtlust ontleent aan de nederlaag die zijn vader in 1970 heeft geleden als senator voor Tennessee. George W. Bush zou bij de verkiezingen van morgen niet alleen met Al Gore willen afrekenen, maar ook met Bill Clinton die in 1992 zijn vader een pijnlijke nederlaag toebracht.

Al Gore en George Bush staan in een lange traditie van macht en aanzien. Van Aartsen sr. zag zijn ministerschap in 1965 bekroond met een door hem begeerde benoeming tot Commissaris van de Koningin in Zeeland.

Zou junior vorige week misschien daaraan toch wel even hebben teruggedacht?

De Tweede Kamer behandelt deze week de begrotingen van Landbouw en Justitie.