ZAPGYMNASTIEK

`Wacht even, ik moet hem even zekeren', zegt Marcel van Dijk (16) terwijl hij met een hoofdknik naar een klasgenoot wijst die op twee meter hoogte tegen de klimwand van het indoor ski-centrum geplakt zit. Als hij veilig aan de grond staat heeft de leerling elektrotechniek wel even tijd om te vertellen wat hij vindt van het sportprogramma op zijn school, het Markiezaat College, ROC West Brabant in Bergen op Zoom: ``Wel leuk.'' Maar hij vindt het ``wel overdreven'' dat hij voor het vak een toets moet doen.

Een eindje verderop kijkt docent lichamelijke oefening Jef Mahieu toe hoe een zestal leerlingen op hun snowboard de borstelbaan afkomen. Dat Marcel en zijn medeleerlingen nog kunnen sporten op school hebben ze aan Mahieu te danken. Hij weigerde zijn vak ter ziele te laten gaan en blies het drie jaar geleden, tegen de stroom in, nieuw leven in.

Wat is er aan de hand? Sinds de invoering van de Wet Educatie Beroepsonderwijs in 1996 worden de eindtermen voor middelbare beroepsopleidingen geformuleerd door de landelijke organen beroepsonderwijs, waarin vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de scholen zitting hebben. De voorgestelde eindtermen moeten door de minister goedgekeurd worden. In deze eindtermen ligt sterk de nadruk op kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de uitoefening van het latere beroep. Logisch, maar dit gaat wel ten koste van vakken als gymnastiek en beeldende vorming, die op veel ROC's inmiddels geheel of gedeeltelijk zijn afgeschaft. Daarbij spelen ook de financiën een rol. ROC's hebben meer administratieve taken gekregen waarvoor zij mensen en middelen moeten inzetten. Bovendien is het in stand houden van gymzalen, die de helft van de tijd niet gebruikt worden, een dure aangelegenheid.

``In sommige opleidingen zal leren tillen en heffen in de eindtermen staan en dat wordt dan verzorgd. Meer niet.'' Zo typeert Antoinette Hamoen, lid van het College van Bestuur van ROC Eindhoven, het sportonderwijs op haar school. ``Wij zijn van mening dat jongeren van zestien jaar en ouder zelf de verantwoordelijkheid hebben om een keuze te maken al dan niet te gaan sporten.'' En daarin zit hem nu net de kneep, want uit onderzoek blijkt dat het gros van deze jongeren niet sport. Huiswerk, bijbaantjes en de liefde zijn nu eenmaal tijdrovend. Om het tij te keren riepen de ministeries van Onderwijs en VWS in 1996 de stichting Jeugd in Beweging in het leven. Met overheidssubsidie startte deze stichting twee jaar geleden het project `BVE (Beroeps- en Volwassenen Educatie) in beweging', waarbij acht ROC's met een goed sportprogramma als voorbeelden van `good practice' dienden. Terwijl dus aan de ene kant het ministerie de eindtermen goedkeurt waaruit bewegingsleer nagenoeg is verdrongen, subsidieert het aan de andere kant een project dat ROC's moet overtuigen van het nut van sport.

Concreet betekent de ontmanteling van het vak gymnastiek dat gymzalen worden omgebouwd tot open leercentra en dat docenten lichamelijke oefening andere taken krijgen. Wie als docent lichamelijk opvoeding wil blijven werken moet zijn vak zien te legitimeren tegenover het bestuur. ``Lichamelijke opvoeding kan een heel goed middel zijn bij eindtermen als `in staat met groepen te werken' of `leiding kunnen geven''', zegt Bert Boetes, leider van het servicepunt van de Koninklijke Vereniging Leraren Lichamelijke Opvoeding.

Gymleraren moeten hun vak zien te `verkopen' en termen als ergonomie en arbeidomstandigheden, die in het bedrijfsleven hoog op de agenda staan, zijn aardige verkooppunten. De nieuwe docenten gymnastiek noemen hun vak `welzijn, beroepsvorming en sport' of `beroepsvorming, welzijn en gezondheid'. Hierin kan alles aan bod komen: van rsi tot stress en van fair play tot persoonlijke hygiëne in theorie en praktijk. ``Ik leer mijn leerlingen zelfs hoe ze hun teennagels moeten knippen, want je staat versteld hoeveel van hen door ingegroeide teennagels niet mee kunnen doen'', vertelt Mahieu. Het door hemzelf geschreven theorieboek bevat instructies over tillen, een juiste zithouding, het belang van een warming-up, het voorkomen van blessures en gerichte biologie. `Kun je door tongzoenen wel of geen aids krijgen?' is een toetsvraag. ``Wij hebben de doelgroep bij uitstek onder onze hoede waarmee we ook dit soort dingen kunnen bespreken'', zegt Mahieu.

``Kun je hem raken dan mag je hem raken, maar je moet je wel inhouden.'' Mahieu's collega Kees Wolters geeft in het kader van zelfverdediging een les boksen. ``Jeroen en Frank op de mat.'' Frank rent nog even naar de kant om zijn bril af te zetten. ``Oké, jongens, even groeten en starten maar.'' Onder het toeziend oog van Wolters en hun klasgenoten dribbelen de twee jongens om elkaar heen, hun rode bokshandschoenen op kinhoogte. Als Jeroen Frank in het gezicht raakt schrikt hij daar zelf van. ``Ja maar, hij draagt normaal een bril'', verontschuldigt hij zich. ``Hier leren ze zoveel van'', zegt Mahieu later. ``Als zo'n jongen op straat op zijn gezicht geslagen wordt is zijn eerste reactie om terug te slaan. Hier mogen ze slaan, maar moeten ze zich tegelijk inhouden en dus voelen ze zich snel schuldig als het te hard gaat.''

Toen gymnastiek drie jaar geleden in de verdrukking kwam op het Markiezaat College trok Mahieu de stoute schoenen aan en lanceerde een plan waarin leerlingen kennis konden maken met verschillende sporten, ingebed in een stuk theorie. Hij kreeg zijn plannen bij de directie erdoor omdat hij het `budgetneutraal' zei te kunnen doen. Mahieu zegde het huurcontract voor de gymzaal op, zette het geld voor de tot dan toe verplichte schoolshirts anders in en ging heel gericht sportlocaties af huren. Nu biedt hij zijn leerlingen iedere middag een keur van sporten: skiën, snowboarden, basketbal, golf, voetbal, tennis, zwemmen. Voor de exclusieve sporten betalen de jongeren een kleine bijdrage. ``Het werkt, maar het is een enorm gepuzzel en geregel'', aldus Mahieu. Het probleem waar hij tegenaan loopt is dat er te weinig docenten lichamelijke opvoeding zijn om de sporten te geven en hij noodgedwongen gebruik moet maken van sportinstructeurs. De animo van de jongeren is groot, hoewel dat niet helemaal zuiver te meten is, aangezien er een opkomstplicht is. In de onderbouw is sport een verplicht vak dat meetelt voor het overgangsrapport. In een jaar kunnen leerlingen vier verschillende sporten beoefenen. In de bovenbouw kunnen de leerlingen op vrijwillige basis sporten.

Joan Boelens, docent lichamelijke opvoeding op het ROC De Friese Poort in Drachten is aangesteld als consulent voor het project `BVE in beweging'. Hij reist ROC's af om advies te geven over sport op school. ``Algemeen zie ik een enorm neergaande spiraal wat betreft het bewegingsonderwijs, terwijl tegelijk een aantal ROC's juist heel actief bezig is met sport.'' Volgens Boelens is `de tijd van een trainingspakje, een fluitje en een sportzaaltje echt voorbij'. Het moderne bewegingsonderwijs draait volgens hem om het leren van sociaal-emotionele vaardigheden en om communicatie. ``Willen wij jongeren interesseren voor sport, dan moeten we uitdagingen bieden en aansluiten bij de zap-cultuur van vandaag.''