Tijgers met een lege tank

De gestegen olieprijzen worden het sterkst gevoeld in Azië. De Oost-Aziatische tijgers die uit het economische dal trachten te kruipen, zien hun herstel stagneren. Juist in Azië neemt de afhankelijkheid van olie toe. Vooral China heeft een steeds grotere dorst naar olie.

Confrontatie in een Thaise taxi na een rit door de hoofdstad Bangkok: ,,Dat is dan vijftig baht toeslag.'' Een toeslag van omgerekend drie gulden op een ritprijs van twaalf? Waarom? ,,Oliecrisis-toeslag, meneer.'' Sommige Aziatische landen beschouwen de gestegen olieprijzen inderdaad als een oliecrisis. Vooral Thailand dat nauwelijks brandstof produceert en grote hoeveelheden nodig heeft. Met name om Bangkok draaiende te houden. Er ligt dan ook altijd een deken van smog over de stad, afkomstig van het verkeer dat dag en nacht lijkt vast te staan.

Bijna dagelijks komt de Thaise regering met maatregelen om de energieconsumptie naar beneden te brengen. De maatregelen worden `verkocht' als zouden ze de luchtverontreiniging terug moeten brengen, maar het is de overheid er vooral om te doen Thailand minder afhankelijk te maken van olie. Zo wordt iedereen opgeroepen de auto te laten staan op elke 22ste van de maand. Ook propageert de Thaise overheid carpoolen, fietsen, wandelen en het gebruik van e-mail en faxen om zo het aantal keren terug te brengen dat mensen de auto moeten pakken voor een ontmoeting.

De regering doet wat zij kan maar er staan in Thailand verkiezingen voor de deur en dus kiezen politici liever voor het subsidiëren van brandstof. Boeren met tractoren en buseigenaren krijgen belastingvoordelen zolang de benzineprijs boven de 10,8 baht (ruim zestig cent) per liter ligt. Door de `oliecrisis 2000', zoals die in Thailand wordt genoemd, heeft het smokkelen van brandstof een hoge vlucht genomen. Omgebouwde vissersboten vervoeren honderdduizend liter per schip uit Maleisië waar de prijzen de helft lager liggen dan in Thailand.

Maleisië is een olieproducerend land en wint meer mineralen dan voor binnenlandse consumptie noodzakelijk is. Net als olie-exporterend Indonesië maakt Maleisië met importerende landen als Thailand, Singapore en Filippijnen deel uit van Asean, een verbond van tien Zuid-Oost Aziatische landen dat zich op den duur naar het voorbeeld van de EU wil vormen. Maar de oliecrisis verzwakt de landenorganisatie doordat ze geen eensluidend beleid kan formuleren voor de aanpak van de oliecrisis. Het grootste Asean-lid, Indonesië, is samen met Maleisië en het oliestaatje Brunei op korte termijn geholpen met hoge olieprijzen die het noodzakelijke economische herstel kunnen schragen. Voor de overige zeven leden geldt het tegenovergestelde. Het gevolg is dat de Asean op zijn handen zit en de lidstaten elkaar aan hun lot overlaten.

Dat juist Azië de handen niet ineen weet te slaan, is wrang, want het werelddeel wordt het zwaarst getroffen door de gestegen olieprijzen. Nergens stijgt de vraag naar olie zo sterk als in dit werelddeel waar het voor de meeste landen de enige brandstof is om van `onderontwikkeld' naar `ontwikkeld' te promoveren. De regio heeft, Japan uitgezonderd, twee keer zoveel last van stijgende olieprijzen als de ontwikkelde landen, daar zijn economen het wereldwijd over eens.

De Filippijnen, Zuid-Korea, India en Thailand hebben de meeste problemen met de prijsstijgingen. Dat zijn de landen die de meeste olie per hoofd van de bevolking importeren. In de afgelopen maanden zijn daar de brandstofprijzen ongeveer met de helft gestegen. De consequenties van de dure olie zijn voor al deze landen hetzelfde: stagneren van economische groei, slechtere handelsbalans, toenemende inflatie en minder belastinginkomsten voor de overheden die daarentegen wel meer geld kwijt zijn aan brandstof-subsidies.

Zo eist de bevolking van de Filippijnen zowel belastingverlaging als verhoging van de subsidies. Maar daar kan de regering-Estrada onmogelijk aan tegemoet komen, geteisterd als ze is door islamitische opstanden in het zuiden van het land en door een omkoopschandaal rond de president. De gestegen olieprijzen kunnen voor de vonk zorgen die politieke onrust veroorzaakt die kan overslaan naar de hele regio.

De Azië-crisis van 1998 heeft geleerd dat de Aziatische economiën nu eenmaal een zeer grote mate van onderlinge afhankelijkheid hebben. Nadat Thailand in 1997 in de problemen kwam, `vielen' alle Aziatische landen in meer of mindere mate `om'. Met dezelfde vrees als ten aanzien van de Filippijnen kijkt men in Azië dan ook naar Thailand. Daar probeert de regering de zogenoemde slechte leningen weg te werken die (inmiddels failliete) banken aangingen met debiteuren die niet terugbetaalden.

Door de dure olie echter nemen ook in Thailand de belastinginkomsten af en de subsidie-uitgaven toe. Daardoor zet de regering de financiële hervormingen noodgedwongen op een laag pitje. Hiermee neemt de kans op een tweede Aziatische crisis toe, zo menen analisten. Dit wordt versterkt door de invloed die de duurdere olie heeft op de vraag vanuit Amerika en Europa naar Aziatische goederen. Onder andere de vraag naar computers neemt af, een product waarvoor veel Aziatische landen de componenten aanleveren.

Azië consumeert nu ruim een kwart van de wereldproductie aan ruwe olie. Alleen al in de eerste helft van dit jaar steeg de vraag in Azië met 600.000 vaten per dag. Afgezien van Japan zullen de negen grootste landen van Azië, zo wordt geschat, dit jaar 11 procent meer olie verbruiken dan in 1999. Energiedeskundigen menen dat het Opec-aanbod zo'n stijgende vraag niet zal kunnen bijhouden.

Aziatische landen hebben nauwelijks oliereserves en heffen vaak onvoldoende enrgiebelasting om als buffer te dienen voor het opvangen van prijsveranderingen. Dit maakt Azië uiterst kwetsbaar voor een prijsverhoging van olie. Die hoeft maar heel gering te zijn om effect te hebben op de fragiele Aziatische economiën. Disproportioneel, noemen analisten dat effect. Want waar de stijgende olieprijzen de gunstige economische trends in Amerika en Europa hooguit onderbreken, versterkt de dure olie de sinds 1998 structureel neerwaartse trend in Azië. En dat terwijl alles erop leek dat de meeste landen in de komende jaren uit het economische dal van de Aziatische crisis zouden krabbelen.

De ontwikkeling van Azië is vooral een industriële ontwikkeling die meer en meer energie vergt. Waar Europa en Amerika steeds minder energie gebruiken per euro- of dollaropbrengst, wenden Aziatische landen juist méér energie aan voor elke dollar `output'. Tegelijk stijgt ook die output. Energiezuinigheid is dan ook zelden beleid in Azië. Integendeel: in veel landen wordt energie gesubsidieerd, soms uit partijpolitieke overwegingen.

Er zijn twee manieren om uit deze fuik te komen: energiezuiniger produceren of alternatieve bronnen aanboren waardoor de afhankelijkheid van olie-exporterende landen afneemt.

Alleen Japan begrijpt dat en doet allebei. Het effectenhuis Morgan Stanley Dean Witter in Tokio stelt dat ,,het aandeel van olie in Japans totale import internationaal gezien niet hoog is''. ,,Bovendien is Japan zeer succesvol in het reduceren van het energiegebruik.'' Sinds de oliecrisis van de jaren zeventig heeft Japan fors geïnvesteerd in energiebesparing. Vergeleken met ander industrielanden is de hoeveelheid energie die Japan consumeert relatief gezien uitermate laag. Japan heeft 156 ton olie nodig per miljoen dollar bruto binnenland product, de Verenigde Staten 338 ton. Bovendien is nergens in de wereld kernenergie zo belangrijk als in Japan.

Econoom Richard Jerram van ING Barings constateert dat de prijsverhogingen van olie nog niet zijn doorgedrongen in de prijzen van consumptiegoederen. ,,Bedrijven hebben weinig macht om prijzen te dicteren, hetgeen betekent dat het bedrijfsleven de hogere kosten ten koste zal moeten laten gaan van de eigen marges.'' Volgens Jerram levert dit waarschijnlijk geen problemen op aangezien de winstmarges van het Japanse bedrijfsleven de laatste tijd sterk zijn gestegen.

Dit neemt niet weg dat de Japanse economie nog steeds voor meer dan de helft op geïmporteerde olie draait. Nu de winter in aantocht is, zijn Japanse oliemaatschappijen onderhandelingen met grote afnemers begonnen over een prijsverhoging van petroleum van 20 procent. En wat betreft benzine aan de pomp zei een woordvoerder van Cosmo Oil dat ,,de grens van ons absorptie-vermogen is gepasseerd''. Die stijging zal vooralsnog echter slechts 2 procent bedragen. Ook halffabrikaten van olie voor de industrie stijgen in prijs.

Gezien het volume van de olie-import kost elke prijsstijging van een vat olie met één dollar Japan 3 miljard dollar. De gestegen olieprijzen slaan dan ook forse deuken in het Japanse handelsoverschot. De olie-import steeg bijvoorbeeld in de maand juli in volume slechts 0,5 procent, maar in waarde met 54,4 procent. In die maand daalde het handelsoverschot daardoor met 17 procent ten opzichte van een jaar eerder en dit komt grotendeels voor rekening van de olie, zo berichtte het ministerie van Financiën. Japan heeft hierbij nog geluk dat de prijsstijging enigszins verzacht wordt doordat de dollar, het betaalmiddel op de oliemarkt, goedkoper is geworden ten opzichte van de yen. ,,Japan heeft nog adem over om zich aan te passen aan hogere energieprijzen'', concludeert Morgan Stanley Dean Witter, ,,andere landen wellicht niet''.

Zuid-Korea is zo'n land. Na de crisis van 1998 kent het land dit jaar een boom van naar verwachting 9 procent economische groei. Maar het feest zal mede door de hoge olieprijzen tegenvallen, meent Dr. Kim Kyeong-won, hoofd van de onderzoeksafdeling van het Samsung Economic Research Institute in Seoul. Korea kent een ,,hoge afhankelijkheid van olie voor zijn energiebehoeften, deze olie is voor honderd procent geïmporteerd''.

Korea gebruikt zijn energie niet efficient, meent Kim. ,,Veel bedrijven hebben zuinig energiegebruik genegeerd. Hoge olieprijzen hebben effect op de verkoopprijzen en daardoor verliezen bedrijven hun internationale concurrentiekracht. Alleen de IT-sector is niet zo sterk van de olie afhankelijk. Daar ligt de hoop voor de Koreaanse economie.'' Doordat de industrie de economische ruggegraat vormt van de Koreaanse economie, is olie goed voor een kwart van alles wat het land importeert. Samsung voorziet voor 2001 dan ook een halvering van de economische groei. Net nu Korea de door logge conglomeraten gedomineerde economie probeert te hervormen, zou het handelsoverschot volgend jaar in een tekort kunnen omslaan.

Tim Condon, macro-econoom bij ING Barings in Hongkong, heeft becijferd dat wanneer de prijs voor een vat olie vijftig dollar is, Korea te maken krijgt met een inflatie van 7 procent.

Condon wijst China aan als de grote schuldige voor de gestegen olieprijzen. De economie van de Volksrepubliek draait voor zeventig procent op kolen met alle nadelen op het gebied van de volksgezondheid en milieu van dien. China komt nu in een ontwikkelingsfase waarbij het een groeiende behoefte heeft aan olie. De komende twintig jaar, zo is de verwachting zal de Chinese vraag naar olie stijgen van 4,4 miljoen vaten per dag naar 10,7 miljoen in 2020. ,,Door de toenemende vraag van China zullen de olieprijzen nog verder stijgen'', meent Condon.