Sterven zonder poespas

Hoe kun je een dierbare helpen om waardig dood te gaan? Lezers reageren op het verhaal van Marina Kuyper, die als moeder en arts haar stervende moeder bijstond. `Als ik ernstig ziek word, wil ik niet dat er nog aan mij gesleuteld wordt.'

Het bijstaan van een ongeneeslijk zieke geliefde kan behalve zwaar en moeilijk, ook mooi en `zuiver' zijn (`Een sterfbed zonder poespas', Z 28 okt.). Het verhaal van Marina Kuyper is voor de meeste briefschrijvers heel herkenbaar. Uit de twintig reacties komt vooral het ambivalente gevoel over het sterven naar voren. `Aan de ene kant het verdriet om datgene wat je beschouwt als je hele leven en om de liefde die van je wordt weggenomen. Aan de andere kant de vreugde om de intensiteit van het leven in uitgerekend die periode', schrijft Hans Telman uit Enschede over het kortstondige ziekbed van zijn vrouw. Ondanks het verdriet vindt Telman het stervensproces `geen zwarte periode.' Zijn vrouw heeft bewust afscheid kunnen nemen van haar dierbaren, beleefde haar geloof intens en genoot van de muziek van Mozart. Ook lachten ze vaak samen. Telman noemt een voorbeeld: `Op een gegeven moment wilde ze dat een van de dochters haar nieuwe nachthemd zou strijken. Op de vraag ,,Waarom?'' zei ze: ,,Dat wil ik aan hebben als ik in de kist lig.'' Antwoord: ,,Mam, dat is toch veel te koud!'' Waarop ze zei: ,,Nou daar heb ik dan geen last meer van.'' We konden er allemaal mee omgaan en er vreselijk om lachen.'

Naast brieven van kinderen van overleden (schoon)ouders en `oude moeders', schreven ook enkele artsen. Zij herkennen de dubbelrol van dokter en dochter waarover Kuyper vertelde. Als arts kon Jacqueline Schuur uitleg aan familie geven en meegaan met doktersbezoeken nadat bij haar moeder kanker werd geconstateerd. `Daartegenover', schrijft ze, `staan onmetelijke frustraties en onmachtgevoelens om op afstand toe te moeten zien dat er aan de behandeling veel ontbrak en dat mijn bemoeienis als dochter en dokter op zeer defensieve reacties van haar behandelaar konden rekenen.'

Emeritus-hoogleraar huisartsengeneeskunde G. Bremer uit Haren heeft in de tijd dat hij huisarts was `vele mensen aan hun eind geholpen, zoals dat toen heette'. Hij wil net als Kuyper voor haar moeder wilde `een sterfbed zonder poespas': `Ik ben nu 76 jaar en gezond – hoop ik – en sinds enige tijd bezig om te organiseren dat mijn vrouw en ik geen onnodige en belastende onderzoeken en behandelingen krijgen als wij gewoon dood willen gaan.' Hij attendeert op de Nederlandse Hospice Beweging in Amsterdam, waar mensen een zorgverklaring kunnen opstellen, een `levenswens' over de laatste levensperiode.

De manier waarop Kuyper haar moeder heeft bijgestaan tijdens haar ziekte zien mensen als voorbeeld. Zo schrijft J. van der Schatte – `Ik ben een oude moeder' – uit Geleen: `Ik ben 79 jaar en hoop van ganzer harte dat mijn kinderen zullen handelen zoals schrijfster Marina Kuyper heeft gedaan.' Net als Bremer wil ze geen `poespas': `Als ik ernstig ziek word, wil ik niet dat er nog aan mij gesleuteld wordt.' Marjolijn Hoek vraagt zelfs of Kuyper een vereniging kan oprichten voor mensen `die hun levenseinde ook zo wensen als haar moeder, maar geen kinderen hebben die arts zijn'. Volgens Everhard Makken uit Delfzijl, ex-directeur van een serviceflat, moet de dokter beseffen dat de patiënt en niet zijn familie de baas is: `Vaak willen patiënten graag sterven, maar wil de naaste omgeving de dierbare niet verliezen. Je zou het egoïsme kunnen noemen.'

Nogal wat briefschrijvers hebben moeite met de omgang met hun zieke ouder. Die kunnen vaak moeilijk het advies van hun kinderen accepteren. `Je voelt als kind dat je wel invloed hebt op je ouders, dat ze ook wel erkennen dat je bepaalde zaken beter doorziet dan zij, maar als het er op aankwam dan deden zij wat zij wilden. Je voelt dan echt dat je voor hen altijd hun kind blijft', schrijft Niek Pluijmert. Een van de `strijdpunten' tussen ouders en kinderen is het protest tegen `vreemden in huis.' Aanvankelijk willen veel patiënten geen thuiszorg, maar ze draaien bij zodra de hulpverleners het vertrouwen van de ouders hebben gewonnen. De moeder van Carla Zijderveld wilde niet naar een verzorgingstehuis: `Ze was in de tachtig en woonde nog geheel zelfstandig. Ze kookte elke dag voor zichzelf, deed boodschappen en was zelfs penningmeester van de bridgeclub. De gedachte afhankelijk te moeten zijn van anderen was voor haar onverdraaglijk, liever hield ze de controle. Ze stierf zonder enige angst, in het harnas, krachtig, op haar manier. Ons verdrietig, maar tevreden en trots op haar, achterlatend.'

Ook de moeder van E. Paris-Swaak uit Emmen wilde geen zorg. `Ze accepteerde de ziekte niet en was opstandig en woedend. Een intelligente, trotse en zelfstandige vrouw was plotseling tot niets meer in staat.' Ze bleef in haar eigen huis wonen en Paris-Swaak nam met haar dochter en een van haar zussen de verzorging op zich. De onderlinge coördinatie verliep echter slecht en op aanraden van de huisarts werd de thuiszorg ingeschakeld. `De zusters die nu nodig werden, waren buitengewoon. Mijn moeder kalmeerde en werd weer alert. Langzaamaan werd ze vertrouwd met de gedachte dat ze ons zou moeten loslaten. Ze voelde zich gelukkig en bevoorrecht dat ze thuis lag en ik vijf dagen bij haar was', schrijft Paris-Swaak.

De transformatie die geliefden tijdens de ziekte doormaken, verbaast een aantal briefschrijvers. Kinderen zien hun ouders steeds milder worden. De vader van Liesbeth Verharen uit Apeldoorn werd pas rustiger nadat ze de moed had gevonden om met haar vader over de dood te praten: `Hij werd in de dagen die volgden steeds rustiger en wanneer hij helder was, zag ik zijn vrede groeien. In comateuze toestand sprak ik rechtstreeks vanuit mijn hart via onze handen die elkaar vasthielden. Een transformatie werd zichtbaar. Hij straalde liefde uit. Alle boosheid was weg. Toen hij zijn achterkleindochter van drie maanden zag was de transformatie compleet. Hij straalde niet alleen liefde uit, hij was het.'

Samenstelling Henriëtte Smit

Het telefoonnummer van de Nederlandse Hospice Beweging is 020-6761094.