`Sjouwen, altijd maar sjouwen'

Onderzoeksverslagen vertellen niet alles. Zo staat in het proefschrift van fysisch-geograaf Nico Willemse niets over de kou, de muggen en het eindeloze gesjouw met onderzoeksmateriaal tijdens zijn klimaat-onderzoek op Groenland.

`We zijn wel eens een week bezig geweest om ons te installeren bij een meertje: het onderzoeksmateriaal ernaar toe sjouwen, de tenten, het voedsel, alles. En toen bleek dat er maar 15 centimeter slib op de bodem van het meertje lag. Daar heb je niks aan, dus konden we weer opbreken.' Nico Willemse (32), op 13 oktober gepromoveerd op klimaatonderzoek op Groenland, kon er wel de humor van inzien. Incasseringsvermogen is een belangrijke eigenschap voor een wetenschapper die onderzoek doet op Groenland. Het barre klimaat en het ruige landschap van het Deense protectoraat (ruim vijftig keer Nederland en 55 duizend inwoners) vragen lichamelijk en geestelijk veel van de onderzoekers. Willemse: ``Meer dan de helft van de tijd ben je bezig materiaal te verslepen. En dan hebben we het onderzoeksgebied nog zo uitgekozen dat het vlakbij een vliegveld ligt: Kangerlussuaq Airport, een oude Amerikaanse legerbasis en een van de weinige vliegvelden op Groenland waarop ook de grotere vliegtuigen kunnen landen. Het materieel wordt vanuit Kopenhagen ingevlogen en vervolgens vanaf het vliegveld per jeep of vrachtauto naar ons basistentenkamp gebracht. Daarvandaan wordt het verdeeld over de plaatsen waar het onderzoek wordt gedaan. Deze laatste etappe is het zwaarst, omdat deze plekken vaak zeer moeilijk bereikbaar zijn met de jeep. Meestal zit er niks anders op dan de spullen op de rug te nemen. Maar met een rubberboot van 50 kg is het lastig een berghelling te beklimmen.''

De Universiteit Utrecht doet sinds 1986 onderzoek op Groenland. Aanvankelijk was het voornamelijk geomorfologisch onderzoek. De processen die in Nederland tijdens de IJstijd hadden plaatsgevonden – zoals gletsjerbewegingen – zijn op Groenland nog volop aan de gang en kunnen er goed bestudeerd worden. Later onderzoek richt zich meer op klimaatveranderingen. Meteorologen, fysisch-geografen en geologen proberen meer inzicht te krijgen in de relatie tussen klimaatsveranderingen en het stijgen van de zeespiegel. Groenland is daarbij om twee redenen interessant voor Nederland. Ten eerste zal bij een mondiale temperatuurstijging van enkele graden de enorme ijskap van Groenland als een van de eerste ijsmassa's (gedeeltelijk) afsmelten. Willemse: ``Het zuidelijke puntje van de Groenlandse ijskap ligt op de hoogte van Oslo; dat is voor een ijskap erg zuidelijk. Het maakt de ijskap erg gevoelig voor klimaatveranderingen. De enorme watermassa's die op de Noordpool of Antarctica zijn opgeslagen – op Antarctica ligt tien keer zoveel water opgeslagen als op Groenland – zijn daar veel minder gevoelig voor. Op beide polen is de temperatuur namelijk zo laag dat twee graden temperatuurstijging geen invloed heeft.''

Een tweede reden waarom Groenland interessant is voor Nederland is, is dat het gebied min of meer de kraamkamer van het klimaat in Europa. De depressies die via IJsland onze richting opkomen ontstaan in het Oost-Canadese poolgebied. Dit gebied is erg gevoelig voor temperatuurschommelingen. Het al of niet bedekt zijn van grote gebieden met sneeuw heeft grote invloed op het opwarmen van het land en dus ook op de luchtcirculatie. Daarnaast beinvloedt de toevoer van grote massa's zoet smeltwater naar de oceaan, zoals dat op Groenland gebeurt, allerlei oceaanstromingen. Deze veranderingen in de lucht- en oceaancirculatie daar beinvloeden ons klimaat.

ijskap

Op Groenland kan de relatie tussen klimaatveranderingen en het afsmelten van de ijskap tot zo'n tienduizend jaar geleden worden onderzocht. De geschiedenis van het klimaat ligt er op twee manieren opgeslagen: in de op sommige plaatsen drie kilometer dikke ijslaag en in het slib van de vele duizenden arctische meertjes. Aanvankelijk richtte het `archief'-onderzoek op Groenland zich alleen op de ijskap. Door middel van een aantal diepe boringen werd een schat aan klimatologische informatie blootgelegd. Het nadeel van deze methode is echter dat ze slechts op enkele plaatsen uitgevoerd kan worden en dat ze bovendien peperduur is.

De onderzoeksmethode die Willemse samen met een collega gebruikte was nieuw. Ze onderzochten de twee meter dikke laag slib die zich in de loop der tijd heeft verzameld op de bodem van de vele duizenden arctische meertjes die Groenland rijk is. De sliblaag in de meertjes is opgebouwd uit vele duizenden kleine laagjes: elke laagje bevat het afgestorven organisch materiaal van elke Groenlandse zomer. Deze zomers wisselen nogal in lengte. In een lange zomer hebben de planten en algen zich beter kunnen ontwikkelen en slaat er dus meer organisch materiaal neer dan in een koude zomer. Willemse: ``Dit betekent niet dat elk laagje nog zichtbaar is: maar met behulp van de koolstof-14 dateringsmethode kan je de ouderdom van een op een bepaalde diepte genomen slibmonster tot op vijftig jaar nauwkeurig bepalen.''

Met de gegevens die dit opleverde konden de Utrechtse onderzoekers een reconstructie maken van het klimaat op Groenland van de afgelopen tienduizend jaar. Ze concludeerden dat het klimaat op Groenland veel grotere schommelingen vertoont dan tot nu toe werd aangenomen: binnen een eeuw kwamen schommelingen in de gemiddelde temperatuur voor van 1 tot 3 graden. Bovendien was er een veel snellere afwisseling tussen droge en natte perioden dan tot dusverre werd aangenomen.

Omdat de sliblaag in de meertjes alleen onderzocht kan worden als deze niet bevroren zijn, deed Willemse voornamelijk in de zomermaanden onderzoek op Groenland. In die tijd is het meestal boven nul en soms loopt de temperatuur zelfs op tot 12 graden. De overige negen maanden van het jaar is Groenland een grote vrieskist. Willemse is een keer in de winter op Groenland geweest, maar dat had hij na enkele weken wel gezien. ``Het is vrijwel onmogelijk om bij –40 graden te werken. Toch kleven er aan het werken in de zomer ook enkele nadelen: het stikt er dan van de muggen die het allemaal op jou gemunt lijken te hebben. Dat zijn de minder plezierige kanten van onderzoek doen op Groenland. Als je na een dag hard werken voor je tentje een pak met water bereide puree zit te eten en je wordt van alle kanten belaagd door miljoenen muggen, denk je wel eens: wat doe ik hier?. Waarom werk ik niet gewoon in de Franse Alpen? Maar als je dan weer om je heen kijkt en je ziet opeens een muskus-os die je aandachtig staat te bekijken en dat waarschijnlijk al uren deed, dan zijn alle ontberingen in een klap vergeten.''

Vergelijking van de uitkomsten van het slibonderzoek met die van de ijskernboringen bevestigden de validiteit van het onderzoek in de meertjes. Het grote voordeel van het slibonderzoek is dat het op veel meer plaatsen kan worden uitgevoerd. Zo kon ook de relatie tussen temperatuurveranderingen en het groeien of krimpen van de ijskap beter worden bekeken. Willemse: ``Met de gegevens van de afgelopen tienduizend jaar over de klimaatveranderingen en de kennis over de bewegingen van de randen van de ijskap – onder meer af te lezen aan het al of niet aanwezig zijn van de eindmorene van de ijskap – krijg je een idee over de invloed van klimaatveranderingen op het aangroeien en afsmelten van de ijskap gedurende de laatste tienduizend jaar. Dit is waardevolle informatie voor de actuele discussie over de invloed van het broeikaseffect op de zeespiegelstijging.''

basiskamp

Het onderzoek doen op Groenland verschilt levensgroot van onderzoeken in gebieden met een minder extreem klimaat en landschap. Als Willemse met een of meer collega's in een vooruitgeschoven kamp bivakkeerde, waren er duidelijke afspraken met het basiskamp. Iedere verplaatsing wordt gemeld aan het basiskamp, zodat altijd bekend is waar iedereen uithangt. Willemse: ``Op Groenland ga je nooit alleen op pad, dat is te gevaarlijk. Stel dat je je enkel verzwikt; en je moet 20 kilometer kruipen naar het basiskamp. Dat wordt een helletocht.'' Mochten de veldwerkers door een plotselinge weersverslechtering vast komen te zitten, dan hebben ze een `overlevingskist' bij zich met voedsel voor een paar weken, extra warme kleren en een tent. Met het basiskamp geldt de afspraak dat als de veldwerkers een aantal dagen niets van zich hebbenlaten horen, er alarm wordt geslagen.'

De Nederlandse wetenschappers is al die jaren niets overkomen. Als er mensen in moeilijkheden komen, zijn het meestal toeristen Willemse: ``Het oversteken van de ijskap is heel populair geworden onder toeristen. Sommigen hebben echter geen idee wat ze te wachten staat. Ze gaan ongetraind en slecht voorbereid het ijs op. Als ze in de problemen komen, verwachten ze echter weldat er à la minute een helikopter opstijgt om ze te redden. Dit tot groot ongenoegen van veel helikopterpiloten. Zij moeten namelijk hun leven in de waagschaal stellen om de toeristen te redden. Want die komen meestal met slecht weer in moeilijkheden. Probeer maar eens te landen midden in een sneeuwstorm als alles om je heen wit is. Van de negen piloten die ik ken, zijn er de afgelopen jaren vijf verongelukt.''

ijsberen

Een ander aspect wat het onderzoek op Groenland doet verschillen van andere plaatsen is de aanwezigheid van dieren die nog nooit een mens hebben gezien. Willemse: ``Doordat het gebied zo leeg is, zijn de dieren niet gewend aan mensen en zijn ze er niet bang voor. Ze kennen de mens gewoon niet. Daardoor vertonen ze geen vluchtgedrag. Dat is met ijsberen wel gevaarlijk: als die honger hebben en ze zien een mens dan vallen ze gewoon aan. Gelukkig zitten er in mijn onderzoeksgebied geen ijsberen. Maar met de muskus-os, een langharige koe, en de kariboe moet je toch ook uitkijken. Als die kwaad willen, zijn er geen bomen om in te klimmen.''

De nieuwsgierigste beesten waren de poolvossen, vertelt Willemse. ``Als je niet te druk doet en niet met felle kleuren gaat wapperen, komen vossen al heel snel bij je tent kijken of er iets te eten valt. Ze woonden soms vlakbij het tentenkamp. Een keer had een vos zich ingevreten in een dode kariboe: dat was zijn hol.''

Niet ieder mens is opgewassen tegen het leven op Groenland, zo ervoer Willemse. ``De dagen in het veld zijn koud en vrij monotoon: het opbouwen of afbreken van de onderzoeksopstelling of het verrichten van metingen. 's Avonds praat je wat of je leest een boek, en je gaat vroeg slapen. De toendra biedt nu eenmaal weinig vertier.'' Hij nam wel eens een golfclub mee om met een balletje over de toendra te meppen, maar dat was vooral voor de foto's voor de familie thuis. Willemse: ``Je bent erg op elkaar aangewezen. Dat betekent dat je goed moet kunnen functioneren in een groep. Het gaat mis als mensen zich geisoleerd gaan voelen. Ik ga het liefst met buitensportmensen op pad: die zijn gewend om te improviseren en door te zetten. Het nadeel van Groenland is namelijk dat je niet even naar de winkel op de hoek kunt gaan om een nieuw onderdeel van een onderzoeksinstrument te kopen. Je moet van tevoren heel goed bedenken welke reserve-onderdelen je meeneemt. Maar dan nog kan het gebeuren dat je moet improviseren. Ik heb wel eens een apparaat met behulp van schoensmeer aan de praat gekregen, dat geeft wel een kick.''

Na zijn promotie keert Willemse weer terug naar Groenland: verder onderzoek doen. Groenland is hem in het bloed gaan zitten. ``Het landschap is zo weids, de natuur zo overweldigend. Je kan je er helemaal in verliezen. Voor sommige mensen is dat angstaanjagend, maar ik geniet er juist van.''