Robert Ryman schept schilderend zijn eigen wereld

Armzalige, pathetische dingetjes zijn het, vaak van nog geen 25 bij 25 centimeter, het linnen soms slordig uitgeknipt of gescheurd en niet opgespannen, met daarop vierkanten in witte verf. Onbegrijpelijk dat deze schilderijen de beschouwer kunnen fascineren. Maar zo gaat het met het werk van Robert Ryman (Nashville, Tennessee, 1930): het oog tast het oppervlak af en wil ieder detail ervan in zich opnemen. Van de verfstreek tot het totale vlak, van de wijze waarop de ondergrond de verf (al dan niet) in zich op neemt tot manier waarop het licht speelt met de witte textuur, van de verhouding van het geschilderde vlak tot de begrenzing van het doek. De verklaring kan niet anders zijn dan dat een schilderij van Ryman de vrucht is van een enorme concentratie en vasthoudendheid.

Een voorwaarde om aandacht op te kunnen brengen voor dit werk is dat het optimaal wordt gepresenteerd. Dat gebeurt bij het overzicht van twintig schilderijen van 1960 tot 1967, de meeste uit de collectie van de kunstenaar, in de galerie van Xavier Hufkens in Brussel. Het werk van Ryman is extreem gevoelig voor externe omstandigheden als belichting en plaatsing op de wand. Deze gevoeligheid is deel van zijn opvatting van schilderkunst. Ryman noemt het zelf de outward aesthetic van zijn werk. Zijn schilderijen hebben geen afbeelding, en zelfs geen beeld. Ze verhouden zich tot de werkelijkheid buiten het doek, niet tot een verhaal binnen de omlijsting van het doek.

Ryman omschreef zijn werk zelf ooit als `realisme'. Er is immers geen verhaal en, bovenal, geen illusie. De lijnen zijn echt, het oppervlak is echt, en de interactie tussen schilderij en wand een heel andere is dan bij figuratieve en abstracte schilderkunst. Het werk aan het schilderij begint met de materialen, en vervolgens gebruikt de `realist' alle middelen die ook bij figuratie en abstractie worden gebruikt, zoals compositie, kleurgelaagdheid, lijn enzovoort. Het enige element dat niet wordt gebruikt, is het beeld. Wanneer Ryman klaar is met een schilderij, zegt hij, is het daarmee nog niet voltooid. Het is pas voltooid wanneer het zodanig wordt gepresenteerd dat het op de juiste manier gezien kan worden.

Het vroege werk bij Xavier Hufkens laat zien dat Ryman, toen begin dertig, nog aan het experimenteren was. De latere schilderijen zijn preciezer, het concept is duidelijker. Hier tast Ryman de voorwaarden af van wat `zijn' schilderkunst zal worden. Dat tastende is een mooie kwaliteit. Er is nog kleur, die afgedekt en weggeschilderd wordt, en er is een spel met de signatuur. Maar alle elementen van zijn oeuvre zijn al aanwezig: de vraag naar de begrenzing van het schilderij, de drager als onderdeel van het schilderij, de steeds veranderende nuances van een expressieve of anonieme penseelstreek, enzovoort.

Nu, ruim veertig jaar na het beginpunt van zijn kunstenaarschap, staat Ryman in volkomen oppositie tot de jonge hedendaagse kunst. MetroPolis, een groepstentoonstelling in de Brusselse metro, maakt dit zichtbaar. Tentoonstellingsmaker Moritz Küng nodigde dertien kunstenaars uit om `te reflecteren op het complexe en rijk geconnoteerde systeem van de ondergrondse'. De genodigden gingen braaf op het verzoek in, met larmoyante resultaten. Dany Deprez installeerde vogelkooien met geluidsbanden van fluitende vinken, Voebe de Gruyter probeert middels een tekst op een affiche de reiziger ertoe aan te zetten naar plekken te kijken waar hij normaal niet naar kijkt, en Richard Venlet kopieerde de cijfers waarmee overal de tramlijnen staan aangeduid in spiegelende plakcijfers die dus moeilijk leesbaar zijn, waarmee `de kunstenaar de geprojecteerde betekenis op de cijfers ontkoppelt en ze opnieuw een abstracte waarde geeft'. MetroPolis is gigantische flauwekul.

Voor Ryman is de context van zijn schilderkunst de kunst zelf. Daarbinnen schept hij zijn eigen voorwaarden, zijn eigen betekenis. Na decennia van rebellie tegen het modernistische idee van naar zichzelf verwijzende kunst zien we met de tentoonstelling van Moritz Küng waar deze rebellie inmiddels toe heeft geleid: de kunst is verdwenen, er is louter context overgebleven. Het kunstwerk gaat op in het thema van de zoveelste thematentoonstelling (vaak georganiseerd omdat er in de subsidie-sfeer aanleiding toe is, zoals hier: Brussel Europese Cultuurstad 2000). De kunst is omgeving geworden, heeft geen beeldende vorm meer, en geen betekenis of zin.

Met een ogenschijnlijk miniem en hoofdzakelijk formeel programma uitsluitend wit, vierkant, plat vlak creëert Ryman een hele nieuwe wereld. Zoals hij zegt: `Het basisprobleem is: wat te doen met verf. Wat gedaan wordt met verf is de essentie van alle schilderkunst.' Ryman laat zien hoe rijk en onuitputtelijk de schilderkunst is.

Robert Ryman. Galerie Xavier Hufkens, Sint-Jorisstraat 6-8, Brussel. Tot 2/12. Diza 12-17 uur. MetroPolis, kunstwerken in de metro. Tot 20/11. Informatie: Schildknaapstraat 50, Brussel.