RAADSELACHTIGE MITRATEN LIETEN VREEMDE SPOREN NA

Sommige uitgestorven levensvormen vertonen geen enkel aanknopingspunt met nu nog levende soorten. Een van die raadselachtige groepen betreft de mitraten, een diergroep die zo'n 500-360 miljoen jaar geleden in zee leefde. Van de mitraten is zelfs niet bekend of ze tot de gewervelde dieren behoorden of niet. Voor het eerst zijn er nu sporen gevonden die aan deze dieren worden toegeschreven (Lethaia 33, blz. 1); deze kunnen wellicht meer duidelijkheid verschaffen.

Het gaat om twee sporen die de onderzoekers aantroffen in schalies (versteende kleien uit het Devoon). Ze zijn herkend als sporen die aan mitraten moeten worden toegeschreven, omdat exemplaren daarvan (Rhenocystis latipedunculuta) aan het eind van de sporen werden aangetroffen, kennelijk plotseling begraven onder een onderzeese modderstroom. De gevonden exemplaren zijn, evenals eerder gevonden mitraten, enkele millimeters lang, en ze bestaan uit een kop en een gelede staart. Mitraten waren `gepantserd', waarbij ieder pantserplaatje bestond uit een enkel calcietkristal. Dergelijke plaatjes kennen we nu uitsluitend van de stekelhuidigen (zeesterren, zee-egels, etc.), maar daar staat tegenover dat alle bekende recente en fossiele stekelhuidigen een vijfvoudige symmetrie kennen, die bij de tweevoudig symmetrische mitraten ontbreekt.

Een van de auteurs van het artikel in Lethaia, R.P.S. Jefferies, is bekend om zijn nogal controversiële ideeën over de evolutie van de vertebraten. Hij wijst het idee dat mitraten tot de stekelhuidigen behoren af, en rangschikt hen in plaats daarvan bij de Chordata, waartoe alle gewervelde dieren behoren (biochemische analyses wijzen er overigens op dat stekelhuidigen nauwer verbonden zijn met de Hemichordata dan met de Chordata). Uit de sporen volgt volgens Jefferies dat de mitraten zich met hun staart (als een soort grijper) naar voren vooruit en zijwaarts als een soort bootje over de modderige ondergrond bewogen. Daarbij zou de platte kant van de kop steeds naar boven hebben gelegen, zoals ook bevestigd wordt door groeven in het spoor die overeenkomen met richels op de `onderzijde' van de mitraten.

Deze morfologische bevestiging, op basis van de sporen, van Jefferies hypotheses met betrekking tot de evolutie, mag overigens niet worden beschouwd als een bewijs voor de juistheid ervan. Er kan alleen worden vastgesteld dat de nieuwe vondsten niet uitsluiten dat mitraten kunnen worden beschouwd als primitieve stekelhuidigen met kenmerken die we nu als karakteristiek voor de Chordata beschouwen.