Particuliere scholen

De zaterdagbijlage van deze krant besteedde vorige week uitgebreid aandacht aan het particuliere middelbare onderwijs. Die bedrijfstak, die floreert als nooit tevoren, richt zich op leerlingen die eerst een tijd elders op een gewone school hebben gezeten en vervolgens in zo kort mogelijke tijd een einddiploma willen halen. Iedereen herinnert zich uit de eigen schooltijd leerlingen die niet erg wilden, misschien ook niet zo goed konden of die te lang kind waren gebleven en voor wie de middelbare school een lijdensweg was. Op een gegeven moment waren ze eigenlijk te oud voor hun klasgenoten en dat leidde dan weer tot bravoure of anderszins problematisch gedrag, maar omdat hun ouders volhouders waren, werden ze via verschillende scholen naar het eindexamen gesleept. Interessant is dat diezelfde leerlingen vervolgens vaak wel in een redelijke tijd afstudeerden om een gewaardeerde arts, leraar of advocaat te worden. Die leerlingen kunnen op zo'n particuliere school hun ongelukkig gestarte schoolloopbaan alsnog corrigeren. Ook trekken deze instellingen leerlingen die de middelbare school juist heel snel willen afronden door de laatste twee leerjaren in één jaar te doen. Omdat ze vallen onder de regeling voor het volwassenenonderwijs mogen ze zich uitsluitend richten op de exameneisen en dat maakt het mogelijk efficiënt naar het einddiploma toe te werken. Particuliere scholen zijn duur, zo'n 25 tot 40 duizend gulden per jaar. Omdat ouders waar eisen voor hun geld, is het voor die scholen noodzakelijk behoorlijke resultaten te behalen. Ze stellen dan ook hoge eisen aan de leerlingen: lange schooltijden en een goede werkinstelling. Voordeel is dat ook de ouders daar van harte aan meewerken: een dagje gezellig ziek thuis blijven, daar betalen ze hun goeie geld niet voor, en ook zoon- of dochterlief is daarvan doordrongen. Aldus komen een aantal factoren bijeen die mede bijdragen aan het succes van dit soort scholen, en die niet met geld te maken hebben: meer dan gemiddeld gemotiveerde leerlingen, strikte regels, leraren die weten dat hun aanstelling afhankelijk is van hun succes, en coöperatieve ouders. Verder zijn het kleine, overzichtelijke instellingen, die de leerlingen geen moment uit het oog verliezen. En daarnaast is er natuurlijk het geld, dat maakt dat gewerkt kan worden in kleine groepen.

Het reguliere onderwijs is gebaat bij het bestaan van dit soort scholen: ze halen probleemgevallen weg bij gewone scholen of bieden de leerlingen iets wat zij niet kunnen geven. Ook de maatschappij vaart er wel bij: die leerlingen halen toch nog een diploma en worden dus niet een maatschappelijk probleem, wat vaak wel het geval is met drop-outs. Wegens die voordelen zou het verstandig zijn om van overheidswege vergelijkbare scholen te creëren waarbij ouders naar vermogen bijdragen. Dat kost geld, hoor ik die overheid al mopperen, maar dat vraag ik me af. Als je alle voordelen in aanmerking neemt, zou het tegendeel het geval kunnen zijn. Maar daarnaast hoort het natuurlijk tot de taak van de overheid om het aanbod aan onderwijs aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen. Zo'n maatschappelijke ontwikkeling is de diversificatie van onze maatschappij, die maakt dat de behoeften van mensen steeds meer uiteenlopen. Dat geldt ook voor allerlei terreinen waar traditioneel en soms zelfs principieel altijd één uniform standaardaanbod heeft gegolden: ziekenhuizen, ouderenzorg, scholen. Fantasieloos en remmend sloft de overheid achter de ontwikkelingen aan.