Nederlandist

Marita Mathijsen wil van het woord Neerlandicus af. Daar heeft ze gelijk in. Het is een gedrocht. Maar kennelijk weet ze geen ander woord. Dat is er echter wel. Al veertig jaar geleden gebruikte professor Heeroma het woord nederlandist. Het past in het rijtje van latinist en germanist, heeft een prettige verwantschap met gitarist en trompettist, maar ook met wat uithoeken als dekabrist en solipsist. En met culturist is Mathijsen zelf al aarzelend voor de dag gekomen.

Het gebruik ervan bevalt mij uitstekend. Het leidt tot allerlei gedachtewisseling. Vooral over humbug en protserigheid in spreken en schrijven. Zoals in dat woord waarmee Mathijsen, tot nu toe, naar haar eigen trotse beroep moet verwijzen.