Kiezen voor winst of loon

Heel wat mensen combineren hun vaste baan met werkzaamheden op freelance basis. Per 1 januari moeten freelancers kiezen voor het winstsysteem of het loonbelastingsysteem.

De leraar op de middelbare school die in zijn vrije tijd als freelancer studieboeken schrijft voor een educatieve uitgeverij. De gemeentevoorlichter die elke maand een column verzorgt in een vakblad. De boekhouder bij een grote onderneming die in tijden van drukte 's avonds inspringt bij het administratiekantoortje op de hoek. De maatschappelijk werker in dienst van een ziekenhuis die een paar uur les geeft op een verpleegkundigenopleiding.

Ruim 350.000 Nederlanders die bij hun werkgever een vast dienstverband hebben, klussen er in hun vrije tijd bij. Althans, zo groot is de groep mensen die jaarlijks op hun belastingbiljet netjes melding maakt van bijverdiensten. Waarschijnlijk is de groep mensen die zwart bijklust veel groter, maar daarvan bestaan geen officiële cijfers.

Al die mensen die nu aangeven dat ze `inkomsten uit werkzaamheden die u niet in dienstbetrekking verricht' genieten, moeten vanaf 1 januari 2001 kiezen of ze deze bijverdiensten laten belasten via het winstsysteem of via het loonbelastingsysteem. Kortom, of ze voor hun nevenwerkzaamheden beschouwd willen worden als ondernemer of als werknemer.

De keuze voor het ondernemerschap, dus voor het winstsysteem, lijkt het meest op de huidige situatie. De bijverdiensten worden op het aangiftebiljet opgegeven, de gemaakte onkosten worden ervan afgetrokken en over het overige wordt inkomstenbelasting geheven. Toch is er een verschil. Op dit moment geldt voor de bijklusser geen administratie- of bewaarplicht. Wie veel onkosten in mindering brengt op de bijverdiensten, zal met bonnetjes en andere bewijzen over de brug moeten komen als de belastinginspecteur erom vraagt, maar dat is zo'n beetje de enige administratieve eis.

In 2001 wordt dat anders. Vanaf dat moment is het voor de bijverdiener geen overbodige luxe om zich in te schrijven voor een cursus boekhouden, want zijn administratieve verplichtingen nemen fors toe. Er moet een winst en verliesrekening gemaakt worden en een balans. De bijklussers die voor meer opdrachtgevers werken of verschillende werkzaamheden verrichten, moeten voor al die taken een afzonderlijke administratie bijhouden.

Dat betekent een flinke taakverzwaring voor de bijverdiener. De leraar geschiedenis die het zo leuk vond om naast zijn dagelijkse werk op school 's avonds als studieboekenauteur op een ander niveau met zijn vak bezig te zijn, besteedt straks een groot deel van zijn vrije tijd niet meer aan de houding van de Belgen in de Eerste Wereldoorlog, maar aan de activa en passiva op zijn balans. Hij moet zich buigen over zijn openingsbalans en daarop een plaatsje reserveren voor zijn computer, zijn encyclopedie op cd-rom en zijn kast vol in de loop der jaren aangeschafte vakliteratuur met daarvan de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2001. Wellicht voelt hij zich dan een heuse ondernemer, maar als puntje bij paaltje komt, is hij dat niet. Hij is een fictieve ondernemer. Hij mag weliswaar, in tegenstelling tot een werknemer, zijn onkosten aftrekken, maar daar blijft het bij. Om in aanmerking te komen voor andere lucratieve ondernemersfaciliteiten, zoals de ondernemersaftrek, de fiscale oudedagsreserve en de investeringsaftrek, moet hij voldoen aan eisen die voor hem waarschijnlijk niet haalbaar zijn. Deze voorzieningen zijn alleen bestemd voor `echte' ondernemers en dat zijn degenen die aannemelijk kunnen maken dat ze jaarlijks tenminste 1225 uur in hun bedrijf werkzaam zijn, die ondernemersrisico lopen en die diverse opdrachtgevers hebben.

Wie al die administratieve rompslomp ten behoeve van dat interessante bijbaantje niet ziet zitten, kan kiezen voor het loonbelastingsysteem. In dat geval spreekt de leraar geschiedenis met de educatieve uitgever af dat deze direct loonheffing inhoudt op zijn inkomsten, zodat hij voor zijn freelancewerk niet bruto, maar netto wordt uitbetaald. Dit wordt de `opting-in-regeling' (naar het Engelse to opt = opteren, kiezen) genoemd. Het is mogelijk dat er op deze manier in totaal te veel of te weinig loonheffing wordt ingehouden, maar dat wordt dan weer verrekend op het jaarlijkse belastingbiljet.

Nu voelt de leraar geschiedenis zich wellicht werknemer in dienst van de uitgeverij, want net als zijn `collega's' kan hij met zijn opdrachtgever afspreken dat hij recht heeft op onbelaste vergoedingen voor bijvoorbeeld een fiets, een computer of reiskosten. Dat laatste zal hij zeker doen, want in zijn nieuwe status van opting-inner mag hij, net als andere werknemers in 2001, zijn beroepskosten niet meer aftrekken. Bovendien mag de opting-inner gebruik maken van de eventuele spaarloonregeling die zijn nieuwe werkgever erop na houdt. Toch is hij geen echte werknemer, want de opting-informule bestaat alleen voor de loonbelasting. Om die reden worden er ook geen eisen gesteld ten aanzien van het aantal uren, de hoeveelheid werk of de frequentie van de opdrachten. De opdrachtgever draagt ook geen premies af voor werknemersverzekeringen, dus de leraar geschiedenis is voor zijn uitgeverijwerkzaamheden niet verzekerd tegen werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Hij is een fictieve werknemer.

Voor veel mensen met bijverdiensten zal het maken van een keuze tussen het winstsysteem of het loonbelastingsysteem lastig zijn. Het nadeel van het winstsysteem is de administratieve rompslomp, zonder dat hier ondernemersfaciliteiten tegenover staan. Het voordeel is dat de fictieve ondernemer beroepskosten mag blijven aftrekken. Dat is meteen het grote nadeel van het loonbelastingsysteem. Werknemers kunnen in 2001 helemaal geen beroepskosten meer aftrekken. Dit nadeel geldt ook voor de fictieve werknemer, zonder dat hier de normale werknemersvoordelen zoals uitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid tegenover staan. Het voordeel van het loonbelastingsysteem zit vooral in de secundaire extraatjes, zoals onbelaste vergoedingen en de spaarloonregeling. Een ijverige freelancer die ergens een vast dienstverband heeft en daarnaast met drie opdrachtgevers een opting-inregeling overeenkomt, kan zo in principe op vier plaatsen gebruik maken van een aantrekkelijke werknemersfaciliteit als de spaarloonregeling.

Voorlopig lijkt het erop dat bijverdieners die een broertje dood hebben aan boekhouden en die weinig onkosten maken, het best kunnen opteren voor het loonbelastingsysteem. Maar de bijverdieners die hun hand niet omdraaien voor een balans en die toch al geschrokken waren van de afschaffing van de beroepkostenaftrek zijn in 2001 waarschijnlijk het beste af als fictieve ondernemer.