KARAKTERS OP DE ZEEDIJK

In juni kwamen 58 Chinezen tijdens een illegaal transport van Rotterdam naar Dover door verstikking om het leven. De meeste Chinezen hebben hun land ooit als illegaal of vluchteling verlaten. Portret van Chinatown in Amsterdam. Hoe gesloten is de Chinese gemeenschap?

'Iedereen kent Kee Sok', hoor ik steeds in Chinatown. Zijn naam zingt door de buurt. Kee Sok (oom Kee) is de oudste Chinees van Nederland. Hij is 91 jaar en woont sinds 1945 in Amsterdam.

Oom Kee, met zwart pak en gleufhoedje, reikt niet hoger dan 1.55 meter. Zijn grijze wenkbrauwen staan recht naar voren en zijn ogen zijn geloken, maar ze fonkelen voortdurend van plezier. Hij heet Leung Hong Kee en komt uit een klein dorp in het achtste district van de provincie Kanton.

Elke dag loopt Kee Sok zijn ronde door de Chinese buurt. In elke toko maakt hij een praatje en hij wordt door alle Chinezen met groot respect bejegend. Oom Kee is een van de oprichters van de eerste Chinese school in Amsterdam. Hij vult zijn dagen met ziekenbezoek, zorg voor ouderen en regelt de begrafenissen voor zijn gestorven landgenoten.

Het Amsterdamse Chinatown ligt binnen de driehoek Stormsteeg, Gelderse Kade en de Zeedijk die vanaf de kop bij het Centraal Station als een slang naar de Nieuwmarkt kronkelt. De wijk bestaat al lang niet meer alleen uit restaurants. Er zijn boekhandels, reisbureaus, boetieks, supermarkten, toko's, kappers, drukkers, pakhuizen, acupuncturisten en videoverhuurbedrijven. Op driekwart van de Dijk, tussen nummer 104 en 118, staat de gloednieuwe Chinees-boeddhistische tempel Fo Kuang Shan. Het oker, het diepe Chinese rood en groen van de tempel knallen uit de Amsterdamse gevelwand.

Ook als hij niet door de buurt loopt, is Kee Sok door zijn rotsvaste dagindeling makkelijk te vinden. Hij woont boven bejaardenhuis Flesseman aan de Nieuwmarkt. Elke morgen staat hij om zes uur op, maakt koffie, eet een koekje. Om negen uur kookt hij chinees voor zichzelf. Dan gaat hij naar buiten, precies 211 passen rechtuit, dan zeven stappen naar rechts de Recht Boomsloot op. Op nummer 5 opent hij de deur van Fa Yin, de Chinese Vereniging. Fa Yin is zijn huiskamer, daar zit hij elke middag.

De drie mandarijnen

Ik ben op weg naar de huiskamer van Kee Sok met Frank Man, die me zal introduceren. Ook Man is een vooraanstaande Chinees in de wijk. Soms letterlijk. Half september, nadat de koningin de Chinees-boeddhistische tempel had geopend, leidde hij samen met Beatrix de lange stoet van dignitarissen en veiligheidsagenten. Ze liepen schouder aan schouder over de Zeedijk naar de Nieuwmarkt, waar de leeuwendansers optraden. Man was een van de initiatiefnemers van de tempel. Hij is eigenaar van een reisbureau, voorzitter van de Chinese Ondernemersvereniging Amsterdam, hij bekleedt een reeks andere bestuursfuncties en werd dit jaar geridderd. Man en nog twee invloedrijke Chinese ondernemers, meneer But van het Sea Palace restaurant, en de eveneens geridderde meneer Yeung van restaurant Oriental City, worden in Chinatown 'de drie mandarijnen' genoemd.

Kui Mo (Franklin) Man, geboren in het Jaar van de Tijger (1951), komt oorspronkelijk uit de New Territories ten noorden van Hongkong, die tot twee jaar geleden Engels grondgebied waren, en woont sinds 1967 in Nederland. Hij is telg uit de fameuze Man-lineage, de mannelijke familielijn die terugvoert naar eenzelfde voorouder. Frank is van de 26ste generatie Man en heeft dan ook een indrukwekkend aantal voorouders. De Man's zijn allemaal afkomstig uit één van de vier verschillende Man-dorpen in de New Territories. Er zijn naar schatting zo'n veertigduizend Man's over de hele wereld, in Nederland een stuk of tweeduizend.

Frank Man is openhartig, joviaal en spreekt lijzig maar uitstekend Nederlands. Critici fluisteren dat hij zijn vooraanstaande positie louter aan die spreekvaardigheid te danken heeft. 'Ik vind mezelf niet zo belangrijk', zegt Man, 'maar ik ben misschien wat vrijer dan de meeste Chinezen. Ik zeg nooit nee tegen journalisten. Maar je mag niet te bekend worden in Chinatown. Dat wordt je niet in dank afgenomen.'

Behalve als je Kee Sok heet. Ook Kee Sok was bij de opening van de tempel door de koningin. Hij is altijd overal bij. Maar Kee Sok bekleedt geen bestuursfuncties, spreekt geen Nederlands, heeft geen restaurant, geen geld en ook geen lintje. Kee Sok zit gewoon iedere middag te kaarten met de andere 'opaatjes' in Fa Yin.

Heb je al gegeten?

We wandelen van Man's reisbureau op de Gelderse Kade naar Fa Yin. Daar gaan we de grens over met China. Fa Yin huist in een hoog, mooi lokaal aan de Amsterdamse gracht met in Chinees groen geschilderde boogramen. Aan de wand tegenover de ingang hangt, tussen de banieren met gouden karakters, een portret van Sun Yat Sen, 'Vader van de Republiek' en oprichter van de nationalistische Kwo-min-tang. Schuin onder Sun Yat Sen zit Kee Sok te spelen met drie andere hoogbejaarde Chinezen. Hij draagt vandaag een zwart Mao-jasje, een krijtstreepbroek en grote, glimmende zwarte schoenen die verbazingwekkend snel onder zijn broekspijpen vandaan schieten als hij opstaat om ons te verwelkomen. Hij neemt ons mee naar de achterkamer van de Chinese club. Er brandt wierook en Kee Sok brengt koffie met koekjes. 'Heb je al gegeten?' is de eerste vraag. Kee Sok spreekt ook na 55 jaar alleen een onnavolgbare vorm van tonaal Nederlands, alleen verstaanbaar voor Chinezen. Man vertaalt zijn Kantonees. 'Dat is altijd de eerste vraag van een Chinees', licht Man toe, 'Een Chinees werkt niet om te leven, maar om te eten. Dat is onze aard.' Kee Sok steekt een sigaartje op. Hij rookt de hele dag door en dat doet hij al vanaf zijn zevende jaar. 'Dat is beter dan limonade drinken', zegt hij.

Kee Sok's herinneringen zijn na 91 jaar gestold in een vast repertoire van anekdotes, een Kantonese conférence met lange uitweidingen, vreemde sprongen in de tijd en Chinese spreuken.

Kee Sok heeft alle tijd van de wereld, hij wacht rustig op zijn dood. 'Het leven bestaat uit wachten. Ik wacht op drie dingen: eten, slapen en emigreren. Als je wakker wordt, wacht je tot je kunt eten en weer kunt gaan slapen. En ten slotte wacht je op je emigratie naar de andere wereld.'

Als ik hem de zondag erna weer ontmoet, is vanuit het grote lokaal in Fa Yin de hoge pentatonische zang van de Kantonese opera live te horen. Een groot deel van zijn leven heeft Kee Sok zestien uur per dag gewerkt. Vroeger ging hij op de vrije zondag altijd naar de Binnen Bantammerstraat, een straat verder, toen het centrum van de Chinese buurt. 'Onze vrije dag werd yam kong genoemd, de trieste dag', vertelt Kee Sok. 'Dan speelden we de hele dag mahjong, dat was ons enige vertier. Dat is toch droevig?'

Vrijwel alle Chinezen van Soks generatie trouwden met een Nederlandse vrouw. Ze moesten wel. 'Toen ik in Nederland kwam, waren er maar vier Chinese vrouwen, ik kende er drie van. Dat geloven de mensen nu niet meer. Eén van die vrouwen had zelfs nog ingebonden voetjes.' Kee Sok trouwde zelf pas toen hij 64 was, in 1973. Hij ontmoette zijn vrouw in restaurant Peking in de Vijzelstaat, waar zij in de bediening werkte en hij jarenlang als kok. Hij zag dat ze goed was voor ouderen en voor Chinezen. Kee Sok wilde zelf een restaurant beginnen, maar hij had geen horecavergunning. Hij deed haar een onorthodox huwelijksaanzoek: 'Als jij dat horecadiploma haalt, dan trouw ik met je.' Ze bleven negentien jaar getrouwd, tot haar dood, maar ik begrijp dat er geen sprake was van een verzengende liefde. Zij sprak maar een paar woorden Kantonees, 'uitgaan', 'boodschappen doen' en 'koken'. 'Er werd niet veel gepraat. Waar moet je over praten? Er moest gewerkt worden.'

Chinese blauwpijpers

De dagelijkse wandeling van Kee Sok voert vrijwel altijd naar Hengko Dun, de eigenaar van Toko Dun Yong, bekend bij Chinezen in heel Europa. Zijn winkel staat op de Gelderse Kade, niet ver van het reisbureau van Frank Man, op de hoek van de Stormsteeg, en kijkt uit over de Bantammerbrug.

Hengko werd een paar honderd meter verderop, op de Recht Boomsloot, geboren in 1946, het Jaar van de Hond. Recht tegenover Fa Yin. Hij is een bescheiden goedlachse vijftiger, kalend, met bril en een Amsterdams gevoel voor humor. 'Een Chinees blijft door zijn uiterlijk altijd een Chinees', had Frank Man me eerder verteld, maar buitenstaanders zullen Hengko niet snel verslijten voor een Chinees. Hij heeft een Nederlandse moeder en was al tegen de twintig toen hij in Hongkong fatsoenlijk Kantonees leerde spreken. 'Als je me vraagt, of ik me Chinees of Nederlander voel, dan weet ik het niet.' In Hongkong noemen ze hem dan ook een kwai lo, een vreemde duivel. En in Amsterdam heet hij de 'Chinees met de grote neus'. Ze kunnen hem niet goed plaatsen.

Hengko groeide op in twee werelden. Zijn vader, 13 jaar ouder dan Kee Sok, kwam in de Eerste Wereldoorlog naar Amsterdam en behoort tot de eerste generatie Chinese 'blauwpijpers'. Dat waren stokers en kolentremmers (kolensjouwers) die met de grote passagiersschepen naar Amsterdam kwamen en afmonsterden op de Javakade. Met zijn vrouw Wai Ming is Hengko eigenaar van Toko Dun Yong, de 'Bijenkorf' van Chinatown. De toko zit al ruim veertig jaar in de buurt. Hij heeft er drie verkooppunten en nog een paar pakhuizen. Ooit was het winkeltje van zijn vader maar vijftien vierkante meter. Onder Hengko's bewind groeide het uit tot een vijf verdiepingen hoog Chinees warenhuis dat het hele blok totaan de Zeedijk beslaat. Er is een supermarkt op de begane grond, maar je kunt er ook complete horeca-inrichtingen kopen, manshoge Chinese vazen, eeuwig lachende boeddha's en nepgeld om te verbranden tijdens het 'Festival der kwade geesten'.

Hengko zet zich samen met Kee Sok in voor de ouderen in de buurt. Kee Sok heeft zijn eigen uitvaart al helemaal in kannen en kruiken. Naar Chinese traditie heeft hij vierhonderd enveloppen klaar liggen, want zoveel rouwenden verwacht hij na zijn dood. In elke envelop zit een klein zakdoekje voor het uitzwaaien van de overledene en een rood envelopje met een gulden, een geluksmunt. Na zijn 'emigratie' wordt er alleen nog een snoepje in gestopt om de bittere pil te verzoeten. Hij heeft ook zijn graf al uitgezocht op Westerveld, naast dat van zijn vrouw. De steen is al geplaatst, met zijn naam en geboortedatum erin gebeiteld. Kee Sok wil daar anderen niet mee lastigvallen, nu is het goed geregeld.

Kee Sok gelooft nergens in, behalve in zijn eigen hart. 'Er zijn genoeg Chinezen die niet deugen. De meeste Chinezen zijn uit op naam, faam en geld. Ik ben, denk ik, een uitzondering. Ik heb altijd hard gewerkt, maar alles opgemaakt. Ik heb geen schulden, vandaag ben ik gelukkig. Het is mijn doel in het leven om mensen te helpen. Nederland is mijn thuis, daar zal ik sterven. Maar ik ben er altijd een vreemdeling gebleven.'

Nu is het tijd voor het verhaal over de vier handicaps. 'Ik was mank, blind, doof en stom. Ik was doof omdat ik geen Nederlands verstond, stom omdat ik het niet sprak. Blind omdat ik de cultuur niet kende en mank omdat ek de weg niet kon vinden.'

Veel van de vroegste Chinese migranten, de zeelieden, waren behept met de vier handicaps van Kee Sok, ze bleven vreemden binnen de Nederlandse cultuur. Maar het isolement van de 'opaatjes' moet niet overdreven worden, vindt Hengko: 'Op de een of andere manier worden ze toch altijd wel opgevangen. Nederlanders maken zich daar drukker om dan ik. Chinezen zijn van nature hele blije mensen.

Ook al die oudjes zijn vrolijk, net als Kee Sok. Er is altijd een Chinese club geweest waar ze naar toe konden en gratis eten kregen. Zo was het ook al in de tijd van mijn vader. Nooit een Chinees meegemaakt, die daar een depressie over had.'

De zoete lucht van opium

Het aantal legale Chinezen in Amsterdam wordt geschat op 6.500 tot 9.000. Maar Chinatown zelf is veel kleiner en de meeste Chinezen werken er alleen, maar wonen inmiddels ergens anders. Volgens het stereotype is de Chinese gemeenschap een gesloten, homogene groep. Maar de Chinese gemeenschap bestaat eigenlijk helemaal niet. De eerste Chinese migranten kwamen, direct na de Eerste Wereldoorlog, vooral uit Guangdong (Kanton), Zuid-China. Voor een deel kwam deze groep - het waren vooral zeelieden - terecht in de boarding houses van de Binnen Bantammerstraat, de Tong Yan Kai, de Straat der Chinezen, waar altijd de zoete lucht van opium hing. De Kantonezen vormen in Amsterdam nog steeds de grootste groep. Daarnaast is er een grote verscheidenheid aan bevolkingsgroepen, die in de vorige eeuw in opeenvolgende golven naar Amsterdam kwamen. Naast de Kantonezen zijn er vasteland-Chinezen uit Zhejiang (Whenzhou en Qingtian), en de Fujian-Chinezen die vooral de laatste jaren in groten getale naar Nederland komen. De Chinezen van het beruchte Dover-transport kwamen bijvoorbeeld uit Fujian. En verder Chinezen uit Taiwan, Singapore, Maleisië, Vietnam (de Hoa's) en natuurlijk de Hongkong-Chinezen die vanaf begin jaren zeventig naar Amsterdam kwamen. De Indonesische en Surinaamse Chinezen (de Hakka-Chinezen) worden door de dominante Kantonees sprekende groep zelfs helemaal niet als Chinezen gezien. 'Het mengt niet', vertelt Hengko, 'Hongkong-Chinezen en Wenzhou-Chinezen trouwen bijvoorbeeld niet met elkaar, worden niet snel vrienden. De Hakka-Chinezen vallen er helemaal buiten.'

Maar ook binnen de herkomstgroepen komt men niet snel bij elkaar over de vloer. 'Ik heb hier verder weinig contacten op de Zeedijk, daar heb ik geen tijd voor', vertelt de Kantonees Chi Hung Cheung, eigenaar van restaurant New King op de Zeedijk, 'Ik werk elf tot twaalf uur per dag. Al mijn vrienden leven zo, ze hebben geen tijd. Ik kan niet in iemands hart kijken, iedereen moet op zijn manier gelukkig worden.'

'De meeste Chinezen lopen niet snel ergens anders binnen', beaamt Wim Boef, een Hollander met hart voor de Chinese zaak. Boef is de zakelijke rechterhand van Hengko Dun en in veel opzichten zijn tegendeel. 'Hengko is bescheiden, aardig, introvert. Ik ben brutaal, het bijdehandje.' Boef woont zelf op de Zeedijk en doet al jaren zaken in de buurt. 'Chinezen hebben hun eigen kringetje, bemoeien zich nergens mee. Het zijn gokkers. Ze gooien zes, zeven nieuwe producten in de schappen, kijken wat loopt. Gewoon doen, hard werken. Je gooit 's morgens de toko open, tien, twintig junken voor de deur, het maakt niet uit, hup draaien. Er komen altijd klanten binnen.'

Ze weten precies wat er bij de buurman gebeurt, maar even gezellig babbelen op straat is er niet bij, zegt Boef. 'In die zin is het geen buurtje. Maar als iemand in de problemen komt, blijkt het toch een hechte gemeenschap. Men respecteert elkaar en het functioneert wonderwel goed, ondanks de strijd en jaloezie. Je kunt een geschil hebben, maar morgen zit je weer samen aan een bruiloftsdis. Een Chinees is niet rancuneus, daar koop je niets voor.'

Dat is de vraag. Chi Hung Chung, eigenaar van restaurant New King, werkte jarenlang als kok voor meneer Chang van restaurant Nam Kee, dat er pal naast staat. 'We waren hele dikke vrienden', vertelt Chung, 'Maar hij heeft me nooit vergeven, dat ik een restaurant naast dat van hem begonnen ben.'

De Chinese detective

Er is nog een Hollander die dagelijks zijn spoor door de Chinese buurt trekt: George van Stek.

De Chinezen noemen hem kortweg George. Hij is een rustige man, op het laconieke af. Groot en breed, gekleed in spijkerbroek en zomerjack, wandelt hij over de Dijk. Van Stek (48) loopt overal naar binnen en maakt een praatje pot, bemiddelt bij ruzies en vetes en regelt 'allerlei praktische dingetjes'. We gaan naar binnen bij de New Fashion Hair & Beauty Salon op de Zeedijk 52. Van Stek spreekt mandarijn met een breekbaar Chinees kapstertje. Ze kijkt serieus, hij schrijft wat op en krijgt honderd gulden van haar. Een vriend van haar zit vast in de gevangenis in Ter Apel. Ze spreekt geen Nederlands, weet de weg niet. George belooft het geld naar hem over te maken.

George van Stek is districtsrechercheur bij bureau Warmoesstraat, zit al 'twintig jaar op de Chinezen' en kent de buurt als zijn broekzak. George is een vertrouwensfiguur in Chinatown en bestiert de wijk als een lokale sheriff. Hij introduceert mij bij de meeste mensen op de Zeedijk. Zonder introductie kom je hier niet ver. Zo ontmoet ik ook Ricky Tang, assistent dim sum-kok in restaurant Hoi Tin op de Zeedijk 122. 'Er zijn hier geen bendes, omdat George de zaak goed in handen heeft', vertelt Ricky, die plat Amsterdams spreekt, maar een echte drakenzoon is. 'Niemand durft wat te doen. Hij geniet veel respect in Chinatown. Wij noemen hem de Chinese detective. Amsterdam is een van de veiligste plekken voor Chinezen in Nederland. In Hoi Tin komt iedereen, ook de grote mannen uit de onderwereld, maar ze komen hier alleen om te eten. Ze willen hun eigen stekkie niet verpesten, snap je?'

'Wat bij mij vooropstaat, is dat de Chinezen hier rustig kunnen wonen en werken', zegt Van Stek. 'Er gebeurt hier heel weinig, dat komt voor een deel door mij.'

Alle Chinezen die ik in de buurt spreek, bevestigen dat. 'George maakt die reputatie zeker waar', zegt Hengko. 'We hebben hier in de jaren zeventig natuurlijk wel roerige tijden meegemaakt.' Toen raakte de buurt in de greep van de Chinese heroïnehandel en was de buurt het toneel van bloederige moordpartijen. 'Dat waren wilde taferelen', vertelt Hengko. 'Met schietpartijen hier op de Bantammerbrug en in de Binnen Bantammerstraat. Ik was toen een van de weinigen die Kantonees én Nederlands spraken en ik werd er door de politie vrij vaak bijgehaald om te tolken.' In die jaren is hij zelf ook een keer telefonisch bedreigd en werd zijn toko twee keer overvallen.

Voorjaar 1977 raakte bureau Warmoesstraat in opspraak door een groot corruptieschandaal. Agenten zouden geld en giften geaccepteerd hebben van Chinese gokhuisbazen. Zes agenten werden uiteindelijk vervolgd, drie werden er veroordeeld.

Concurrerende triades (Chinese maffiabendes) als de 14 k, de Wo Lee Kwan en de

A Kong vochten om de macht in de heroïnehandel en het illegale gokwezen. Afpersing was heel gewoon. Een beruchte peetvader was toen Tjong Moon of Chung Mon, beter bekend als Dennis, de baas van de Hongkongse 14 k-triade en al vanaf de jaren vijftig actief in de buurt. Hij bezat op de Gelderse Kade 19 een enorm gokhuis, met een restaurant op de eerste verdieping dat het hele blok besloeg tot de Prins Hendrikkade. Daar kwam Dennis ook aan zijn einde. Hij werd op 3 maart 1975 doodgeschoten, waarschijnlijk door huurmoordenaars van de A Kong-groep. Exact een jaar later op 3 maart werd zijn opvolger Chang Yun Muk, bijgenaamd Mao, met kogels doorzeefd. 'De A Kong is nog steeds een hele sterke organisatie', zegt Van Stek, 'maar na de liquidatie van Dennis zijn ze hier vrijwel volledig verdwenen. Hij was de grote baas, een echte persoonlijkheid.'

Hengko kan dat beamen, hij kende de Chinese godfather persoonlijk. 'Als restauranthouder moest hij wel bij ons kopen. Het was een heel beminnelijke man. Hij schijnt ook een lintje gekregen te hebben, maar dat kan nep geweest zijn, hoor. Als je geld nodig had, kon je het zo van hem krijgen, maar als hij geld nodig had, moest je het ook geven. Hij was blijkbaar de grootste Chinese maffiabaas in Amsterdam. Zijn bijnaam was Fo Kelun. Dat is een mythologisch dier, een combinatie van een vuurspuwende draak en een leeuw. In de oorlog heeft hij een keer een vrachtwagen vol aardappelen van de moffen gejat, dat weet ik van mijn moeder. Hij heeft ook de jongste broer van mijn vrouw geholpen om naar Amsterdam te komen. Die had een Hongkongs paspoort en het was beter dat hij niet via Schiphol aankwam, als je begrijpt wat ik bedoel. Moon stapte zo in zijn auto en haalde hem op in Brussel. Als je zo'n grote maffiabaas bent, doe je dat toch niet zelf?'

Trossen illegalen

Het grootste probleem in Chinatown vormt nu de toestroom van illegale Chinezen, vertelt Van Stek. 'Er zijn een paar honderd illegale Chinezen in Amsterdam, vooral Fujian-Chinezen. Ze lopen hier in trossen rond. Dat geeft natuurlijk een grote druk op de buurt. Het komt dus wel eens voor dat die moeilijk gaan doen en mensen proberen af te persen. Maar dan komen de buurtbewoners naar mij toe.'

Als hij zich een dag kwaad zou maken, zou hij zo een paar honderd van die illegalen kunnen oppakken, verzekert Van Stek. 'Maar dat heeft absoluut geen zin, ze zijn technisch niet verwijderbaar, want ze hebben geen papieren. Maar ik hou ze in de gaten, loop door de buurt en zie meteen wie er vreemd is. Ik spreek ze aan. Wat doe je hier? Waar kom je vandaan? Wie ben je? Ik kijk wat voor een dialect ze spreken, hoe ze gekleed gaan, hoe ze zich gedragen. Dat vinden ze niet leuk. Ik zeg soms ook gewoon tegen ze: "Maak dat je wegkomt uit Amsterdam, ik wil je hier niet meer zien". Dat gebeurt dan ook. Het is een kwestie van blijven praten. Ik geef ze weinig speelruimte, laat ik het zo zeggen. En als ze iets strafbaars doen, dan pak ik ze op.'

Zo bekend is Van Stek kennelijk ook bij illegale Chinezen, dat een van de slachtoffers van het fatale smokkeltransport naar Dover zijn telefoonnummer op zak bleek te hebben. Het Openbaar Ministerie stelt een onderzoek in en Van Stek wordt hierover door de rechter-commissaris gehoord. Zelf haalt hij er zijn schouders over op: veel mensen in en om Chinatown kennen zijn telefoonnummer.

Schaamte, eer en vertrouwen zijn sleutelbegrippen in de omgang met Chinezen, vertelt Van Stek. Als hij informatie wil, gaat hij naar iemand toe die weet wat er speelt. Theedrinken en babbelen, soms urenlang. 'Zo'n man weet op zo'n moment precies waar ik voor kom, maar geeft geen sjoege. Op een gegeven moment komt hij wel over de brug. Maar ik laat de eer aan hem.' Een Chinees zal een andere Chinees niet snel aangeven, ook al gaat het om ernstige misdaden. 'Elkaar verraden, dat is zo moeilijk voor ze. Dat geldt heel sterk binnen de eigen groep. Een Chinees zal ook altijd eerst zelf zijn probleem proberen op te lossen, want hij wil niet dat het bij anderen bekend wordt. Dat is de schaamte. Hij zal blijven betalen tot het water hem aan de lippen staat. Dan moet hij wat en komt hij pas naar mij toe. Als hij dan aangifte doet, is het eerste wat hij vraagt: vertel het niet aan anderen. Dat hij naar mij komt, is een kwestie van vertrouwen. Toch hoor ik het heel snel als er wat loos is. Als een baas wordt afgeperst, vertelt hij het me misschien niet, maar dan hoor ik het wel via het personeel.'

'Chinezen doen niet snel aangifte', bevestigt Frank Man, die zelf begin jaren tachtig twee maal gedwongen werd geld te 'lenen' aan Hongkong-Chinezen. 'Waarom niet? Men is bang. Negen van de tien keer staat de misdadiger eerder op straat dan het slachtoffer. Jij moet op het politiebureau blijven. Daar wordt men gewoon heel nerveus van. Criminelen krijgen ook heel lage straffen hier. Een Chinees denkt niet dat een misdadiger ooit verandert, hij blijft altijd hetzelfde en zal wraak nemen.'

Chinatown is zo klein dat Van Stek weinig ontgaat. 'Het is een dorp. Ze kunnen zich niet verschuilen. Een tijdje geleden werd er iemand neergestoken. Het slachtoffer werd op de Gelderse Kade gevonden. Ik dacht toen: dan zou het weleens kunnen dat de dader niet ver is. Ik ging naar boven, alles zat helemaal onder de bloedspetters. Ik heb het slachtoffer gesproken, die deed toen ook aangifte. Dan moet ik die jongen aanhouden, hij kreeg zes maanden voor zware mishandeling. Zijn vriendin was ook illegaal, ze wilde hem graag opzoeken in de gevangenis, maar daar moet je je kunnen legitimeren. Dat regel ik dan en ik ga met haar mee naar de bajes, dan zitten we daar met zijn drieën te praten.'

De macht van de slangenkop

Veel van de Chinezen die ik in Chinatown spreek, zijn ooit ook als 'illegaal' of als vluchteling gekomen. Het wereldbeeld van veel overzeese Chinezen is getekend door deze onvrijwillige diaspora, denkt Frank Man. 'Chinezen zijn nooit vrijwillig gekomen, altijd gevlucht voor vervolging, hongersnood of slechte economische omstandigheden. We kennen de slechte tijden. Wij hebben altijd een taalachterstand als we hier komen, moeten altijd harder studeren en werken dan anderen. Dat geven we door aan de kinderen. Dat zit in ons bloed.'

Van Stek stelt me voor aan Jennifer Teng Yun-ja (40) en dr. Yin Lau (47). Ze zijn allebei in 1990 uit China naar Nederland gevlucht en moesten allebei een kind van vijf jaar achterlaten. Dr. Yin Lau, een zachtaardige Kantonese met een verlegen glimlach, werd geboren in 1953, het Jaar van de Slang. Ze heeft een acupunctuurpraktijk annex Chinese kruidenwinkel op de Zeedijk 65A. Maar tot 1990 werkte ze als gynaecologe in een ziekenhuis in de stad Kanton. Na het bloedbad van 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking vonden in het hele land zuiveringen plaats onder hoger opgeleiden. Yin Lau weigerde een loyaliteitsverklaring te tekenen waarin ze toegaf dat ze 'politiek fout' had gehandeld. Ze was daarna uitgerangeerd en besloot naar Hongkong te vluchten. Met de hulp van een van de beruchte slangenkoporganisaties (mensensmokkelaars) kwam ze via Midden-Amerika uiteindelijk in Nederland terecht. De reis kostte haar in totaal zo'n 35.000 Hongkong-dollars. 'De slangenkop was een man van een jaar of veertig, hij zag eruit als een knappe zakenman, had goede kleren aan en kortgeknipt haar. We mochten niets vragen. Ik noemde hem meneer Liu.' Met zes anderen werd ze van Schiphol linea recta naar de vreemdelingenpolitie in Amsterdam gebracht om asiel aan te vragen. Ze bracht in totaal zeven maanden door in verschillende asielcentra. 'Ik voelde me zo gelukkig. De mensen waren zo vriendelijk hier, dat heeft diepe indruk op mij gemaakt. In één maand ben ik toen vijf kilo aangekomen.' Met dokter Lau liep het goed af. Drie jaar geleden kreeg ze een officiële status en kon ze haar man en zoon laten overkomen.

Soms laaiend emotioneel

Jennifer Teng Yun-ja werkt twee panden verderop. Haar verhaal is veel dramatischer. Net als Yin Lau komt ze uit de stad Kanton en spreekt dus Kantonees. Toch heeft ze weinig contacten in deze door Kantonezen gedomineerde buurt. 'De Nederlanders vertrouw ik, maar mijn eigen landgenoten vind ik toch een beetje gevaarlijk. Ze zijn snel jaloers.'

Ze werd geboren in het Jaar van de Rat (1960). Jennifer beantwoordt bepaald niet aan het clichébeeld van de onderdanige Chinese vrouw. Ze is struis en sexy, open, spontaan en temperamentvol. Soms laaiend emotioneel. Toch koestert ze de traditionele waarden van haar geboorteland. 'Ik werk zelf heel hard, kom laat thuis. Toch vind ik dat ik voor mijn man moet schoonmaken en koken. In China zijn we heel streng voor kinderen. Ik betrapte mijn zoon een keer op het stelen van geld. Hij wilde het niet toegeven. Ik zei: "Als je de waarheid niet spreekt, gaan je vingers eraf". We zijn veel harder en strenger dan hier, we moeten wel.'

Jennifer heeft een boetiek, Qian Fang Yi Lang, waar ze prachtige traditionele jurken van zijde verkoopt, de chi pao. Ze ontwerpt en maakt de jurken zelf. Een zwart zeil onttrekt het oude, kapotte plafond aan het oog, de boetiek is maar half af, zoals veel zaken in haar leven. Ze woont al weer ruim tien jaar in Nederland, maar haar hart ligt nog in China, bij haar enige kind, haar zoon Wang Kwan, die ze als vijfjarige moest achterlaten.

'Ik sliep in China altijd met gebalde vuisten, zo gespannen was ik', vertelt Jennifer. 'Dat is iedereen in China. In Nederland zijn de mensen heel aardig en vriendelijk tegen je, het is maar een vreemd land.' Ze werkte als regisseur en programmamaakster voor de Chinese staatstelevisie bij een nieuw televisiestation in de stad Shenzhen aan de grens met de New Territories. Ze had een mooi leven in China. Voor haar werk moest ze af en toe naar Peking. In mei 1989 filmde ze met haar cameraploeg 'bij toeval' de demonstrerende studenten op het Plein van de Hemelse Vrede. 'Er waren veel vroegere klasgenoten van mij', vertelt Jennifer. 'Mijn moeder, een gestaalde communiste, wist precies wat er zou gebeuren. Ze is politiek geslepen, werkt al veertig jaar voor de televisie en zei: "Je moet meteen terugkomen!" Iedereen wist dat ik daar had gefilmd.' De studentenrebellie werd op 4 juni in opdracht van Deng Xiaoping bloedig onderdrukt door het leger. Een van Jennifers kennissen werd toen doodgeschoten.

Terug op het televisiestation moest ze de opnames afstaan. Ze weigerde en wiste de band. 'Ik wist wat er met die studenten zou gebeuren', zegt Jennifer geëmotioneerd. Ook haar loopbaan was na het bloedbad voorbij, het mooie leven lag in gruzelementen.

Eind 1989 besloot ze naar haar zus in Hongkong te gaan. Toen realiseerde ze zich pas de ernst van haar situatie. Ze kreeg geen visum voor haar zoon. Zonder haar kind vertrok ze naar Hongkong en ging vervolgens met haar zus op vakantie in Nederland. In Nederland begreep ze dat haar baas bij het tv-station was ontslagen. 'Ik kreeg steeds te horen dat ik beter even kon wachten met terugkomen. Ik huilde elke dag, ik was hysterisch, ik was helemaal gek aan het worden, een nachtmerrie. Ik dacht: ik moet wachten tot het beter wordt, dan ga ik terug.'

Na een half jaar realiseerde Jennifer zich, dat ze niet meer naar haar moederland terug kon. 'Mijn jongen was vijf toen ik vertrok. Ik heb toen tegen hem gezegd: "Wacht op mij, ik kom terug". Door mijn stommiteiten heeft hij geen moeder. Mijn hart is helemaal stuk.'

Ze besloot asiel aan te vragen. De eerste jaren in Nederland waren zwaar en eenzaam. Acht jaar geleden kreeg Jennifer een verblijfsvergunning. Vanaf dat moment probeerde ze haar zoon over te laten komen. 'Ik heb drie jaar gewacht op een reactie. Het is in een la blijven liggen, toen was het te laat.' Vorig jaar zijn haar pogingen definitief gestrand bij de Nederlandse rechter. 'Sinds ik drie jaar geleden met een Nederlandse man ben getrouwd, ben ik wel twee keer teruggeweest naar China. Ik heb mijn zoon wel teruggezien, maar hij is nu vijftien en van me vervreemd. Eerlijk gezegd weet ik niet hoe het verder moet. Van binnen ben ik kapot. Maar ik ben ook sterk, want mijn zoon zit nog in mijn vlees. Ik denk dat ik op een dag neergeschoten zal worden, gewoon hier in de straat. Ik kan de toekomst voorspellen, weet je.'

Geroosterd speenvarken en eend

Via Van Stek dring ik vrij snel door in de Chinese gemeenschap, die nog steeds de naam heeft zeer gesloten te zijn. 'Ach, wat is gesloten', zegt Van Stek. 'Als het na één keer proberen niet lukt? De gemeenschap in Marken, die is gesloten. Daar kom je niet binnen.' We lopen binnen bij Wing Kee, gespecialiseerd in geroosterd speenvarken en eend. Tegenover Wing Kee, aan de achterkant van Toko Dun Yong, hoor je bij mooi weer de mahjongstenen ketsen. Dit is een van de laatste illegale gokhuisjes in Chinatown. Bij eigenaar Lai Kai Yuen (49), die al achttien jaar op de Zeedijk zit, bestelt Van Stek een speenvarken voor zijn verjaardag. Ik praat ondertussen met de gérant Fa Kai Ho, geboren in Hongkong in 1953, het Jaar van de Slang. Ik vraag hem over de buurt, over Van Stek. 'Waarom wil je dat weten?' vraagt meneer Ho achterdochtig, maar hij ontdooit snel. 'Een Chinees denkt toch wat ingewikkelder dan andere volken.' Meteen daarna vraagt hij gewoontegetrouw of ik al gegeten heb. Hij biedt me een gratis lunch aan en zo gaat het eigenlijk steeds. De rekening wordt altijd weggewuifd of voor me betaald. Chinezen blijken buitengewoon gastvrij en gul. Geld moet rollen, je moet het niet oppotten. Als je niet genoeg hebt, werk je gewoon wat harder.

Toch duikt in alle gesprekken steeds weer een onderwerp op waaruit blijkt dat die geslotenheid wel degelijk bestaat, en dat is de problematische relatie met de vader. Voor een deel stoelt deze op de taalbarrière, de vier handicaps van Kee Sok. Hengko Dun kon in zijn jeugd nauwelijks met zijn vader praten. Maar ook Frank Man, geboren in Hongkong, herinnert zich de 'handicaps' van zijn vader. Toen Man in 1967 naar Nederland kwam, was hij zestien jaar en had hij zijn vader tien jaar niet gezien. Man kende zijn vader eigenlijk alleen uit de verhalen van zijn broers. Hij was nog nooit buiten Hongkong geweest en wist niets van Nederland. De eerste de beste dag moest hij naar het ziekenhuis om medisch gekeurd te worden als nieuwe immigrant. Zijn vader bracht hem niet zelf, maar zette hem op de tram naar het ziekenhuis. 'Ik begreep pas later dat hij niet kon laten merken dat hij nauwelijks Nederlands sprak, dat hij daar niets kon uitleggen. Hij stuurde mij liever alleen dan dat hij zou afgaan voor zijn zoon. Een Chinees is altijd bang om zijn gezicht te verliezen, zeker tegenover zijn familie.'

Naast de geslotenheid en de schaamte maakt ook een zekere hardheid bij de opvoeding van de kinderen deel uit van de Chinese identiteit, van de traditie van de vader. Man werd direct na aankomst in Nederland door zijn vader nog aan een andere test onderworpen. Ze reden van de flat van zijn ouders naar hun restaurant in Rotterdam. Zijn vader vroeg hem of hij zelf de weg naar huis terug kon vinden. Man wilde zich niet laten kennen, maar had geen idee hoe hij thuis moest komen. Na een uur lopen vond hij de flat uiteindelijk terug. 'Het was een training om mij zelfstandig en hard te maken', zegt Man. 'Vanaf die dag lette ik altijd verdomd goed op en kon ik snel mijn weg vinden. Een Hongkong-Chinees is de eeuwige wees. Hij rekent nergens op, niet op de overheid, op niemand. Je moet altijd voor jezelf kunnen zorgen, dat is onze mentaliteit.'

De oude confucianistische waarden worden bij veel Chinezen bij wijze van spreken nog steeds met de loempia's meegevouwen: respect hebben voor ouderen, hard werken, studeren en gehoorzaamheid aan je ouders. Toen Frank Man aan de Hogere Hotelschool afstudeerde, vertelde zijn vader hem plompverloren dat hij een Chinees restaurant voor hem had gekocht in Capelle aan den IJssel. Man voelde er eigenlijk niets voor, maar durfde geen nee tegen zijn vader te zeggen. 'Ik ben er met tegenzin ingestapt.'

Man geeft zijn eigen kinderen een veel vrijere opvoeding dan hij zelf genoot. Maar Chi Hung Chung, de 48-jarige eigenaar van restaurant New King, verwacht wel dat zijn dochters van 15, 13, 9 en 5 op den duur in zijn restaurant gaan werken. 'Kinderen moet je niet te veel vrijheid geven. Ik verlang van ze dat ze in New King gaan werken, eerst alleen op zaterdag. Ze moeten weten dat werken belangrijk is, dat het geld niet uit de hemel komt vallen. Ze moeten leren wat goed en slecht is. Ik vind het belangrijk dat ze gaan studeren, ze moeten er netjes uitzien, niet slordig zijn en er geen bende van maken. Ik heb wel veel contact met mijn dochters, kook vaak samen met ze. Ze mogen van mij later doen wat ze willen, maar het zou makkelijk zijn als ze de zaak overnamen.'

De restaurantkinderen zijn een klasse apart. Alischa Hu (24) groeide op in Lelystad met pap, bloemkool en biefstuk, maar vindt zichzelf toch heel erg Chinees. Ik ontmoet haar in de winkel van Jennifer. Xiao Chi (Alischa) Hu, geboren in 1976 op het platteland van de provincie Zhejiang bij Shanghai, was negen toen ze in 1985 naar Nederland kwam. Op Schiphol zag Alischa een vreemde Chinees staan. 'Die moest ik vader noemen. Mijn vader is heel gesloten, hij kan zijn gevoelens bijna niet tonen, net als mijn moeder trouwens. Dat is toch wel heel Chinees. Ik vind het jammer dat ik nooit veel contact me ze heb gehad. Toch moet je goed voor ze zorgen. Ik ben erg trots op ze, ze werken bijna altijd. Dat is echt ongelofelijk.'

Het ouderlijk huis was een minuut van het restaurant waar haar vader als chef-kok werkte, maar de kinderen mochten daar niet komen toen ze jong waren. Zij zorgde voor haar jongere broertje Laxing, die in zijn kamertje werd opgesloten tot Alischa uit school kwam. Als haar ouders op vakantie waren, deed ze het huishouden erbij.

In 1996 kochten haar ouders een tweede restaurant op de Rozengracht in Amsterdam. Alischa werkt er als manager en gastvrouw, zes, zeven dagen per week tot één uur 's nachts. Alischa is open, spontaan en beeldschoon. Toch heeft ze nog nooit een vriendje gehad. Ze heeft ook weinig gelegenheid om de ware tegen te komen. 'Als je elke week gaat stappen, krijg je al snel een slechte reputatie in de Chinese gemeenschap. Ik hou bijvoorbeeld heel erg van dansen, maar ik vraag altijd toestemming aan mijn ouders. Ik ga misschien één keer per maand. Mijn moeder is nog heel ouderwets, die is nog uitgehuwelijkt, dat wil ik absoluut niet hebben. Aan de andere kant zie ik wel Chinese meiden van vijftien die al staan te tongen in de discotheek. Ik vind het zelf niet goed om na drie keer stappen al met een jongen naar bed te gaan. Daar ben ik traditioneel in.'

Een zachtaardige drakenzoon

Ook Ricky Tang wil de traditie van zijn vader voortzetten. Ik ontmoet hem in de achterzaal van restaurant Hoi Tin, waar hij werkt als assistent dim sum-kok. Ricky heeft geverfd haar, tatoeages, spreekt plat Amsterdams, houdt van arrenbie en hiphop, maar draagt een T-shirt met een geborduurde draak en ziet zichzelf als 'puur Chinees'. Zijn vader Man Lung Tang is een Kung Fu-meester, afkomstig uit de New Territories. Hij kwam rond 1973 naar Leiden, verhuisde een jaar later met zijn gezin naar de Nieuwmarkt en richtte de eerste Kung Fu-school van Nederland op. Ricky groeide op boven de sportschool, sprak thuis uitsluitend Kantonees en beoefende de vechtkunst zelf jarenlang. Zoals veel Chinezen is hij heel zachtaardig. Samen met zijn jongere broer is hij een van de vaste draken- en leeuwendansers in Chinatown. Aan de leeuwendans, die elk nieuwjaar wordt uitgevoerd, doen zo'n honderd mensen mee. Zijn broer Man Lung, bijgenaamd Ryo, ook een Kung Fu-vechter, danst de leeuwenkop. Ricky is de eerste drummer die de leeuw volgt. 'Hoewel mijn broer Ryo jonger is, beschouw ik hem toch als de leider, want hij is een draak', zegt Ricky, 'de draak is de natuurlijke leider.'

In de vierkamerwoning van de Tangs op de Krom Boomsloot staat een voorouderaltaar, waar de mythische generaal Kwan wordt vereerd, evenals de Kung Fu-meester van Ricky's vader Si Fu. 'Wij zijn de zonen van Si Fu, we groeten hem dagelijks. Ook offeren wij elke dag wierook aan generaal Kwan en bidden we voor een veilig leven.'

'Ik ben traditioneel in mijn denken', zegt Ricky. 'Wat een man doet is goed voor het gezin, vrouwen moeten luisteren. Maar ik vind ook dat jongens en meisjes gelijkwaardig zijn en dat je respect moet hebben voor je oudere broers. Vroeger kreeg ik vaak een tik met de knokkels op mijn hoofd. Dat is geen mishandeling. Ik zou mijn kinderen ook zo opvoeden.'

Met de restaurantkinderen heeft Ricky niet veel op. 'Veel Chinese kinderen mogen doen waar ze zin in hebben, krijgen te veel zakgeld. Dat gaat helemaal fout. De restaurantkinderen hebben geen respect voor Chinezen met weinig geld. Ze kijken op ons neer. Dure kleding en geld is heel belangrijk voor ze. Ik draag geen pakken van Armani en Versace. Ik koop gewoon twee Dunkers voor 120 gulden, snap je. Veel jongeren hebben geen respect meer voor ouderen. Ik wel. Al mijn vrienden noem ik broers, goede broers. Ik heb er 25 van, ze wonen bijna allemaal in de buurt. Ik heb respect voor iedereen, zelfs voor de junks hier.'

Ook Ricky heeft uiteindelijk het meeste ontzag voor de oude Kee Sok. 'Iedereen in de buurt vraagt hem om advies. Hij wordt overal bij gehaald. De buurt is door hem opgebouwd. Ik noem hem Kee Sok Kung, opa Kee, omdat hij mij als baby nog in zijn armen heeft gehad. Ik wil zelf ook het pad van Kee Sok volgen.'

Paul Andersson Toussaint is freelance journalist.

Venus Veldhoen is freelance fotograaf.

[streamliners] Onze vrije dag werd yam kong genoemd, de trieste dag. Dan speelden we de hele dag mahjong. Dat is toch droevig?

'Chinezen doen niet snel aangifte. Men is bang. Negen van de tien keer staat de misdadiger eerder op straat dan het slachtoffer.'

'De slangenkop was een jaar of veertig, hij zag eruit als een knappe zakenman, had goede kleren aan en kortgeknipt haar. We mochten niets vragen.'

'Mijn jongen was vijf toen ik vertrok. Ik heb toen tegen hem gezegt: Wacht op mij, ik komt terug.Door mijn stommiteit heeft hij geen moeder meer.'

Chinezen zijn nooit vrijwilig gekomen, altijd gevlucht voor vervolging, hongersnood of geldgebrek.

Een Chinees is altijd bang om zijn gezicht te verliezen, zeker tegenover zijn familie.

De restaurantkinderen hebben geen respect voor Chinezen met weinig geld.