Jessica Durlacher over de muziek van haar vader

Als ik schrijf, staat er nooit muziek aan.

Ik snuif, zuip of blow dan ook niet . Zelfde categorie. Muziek kan slechts mondjesmaat verdragen worden. Heel eventjes. Op zichzelf. In mijn huis zul je nooit eindeloze symfonieën horen als achtergrond van huiselijke handelingen. Ik zoek naar het ene mooie stukje met de zoekknop en dat beluister ik vier maal. Dan moet het uit.

Mijn vader luisterde altijd. Urenlang. Hij las bij muziek en werkte bij muziek. We aten vroeger bij muziek. We dronken koffie bij muziek. Zijn muziek. Het gekke is dat me dat in die tijd, mijn kindertijd, niet stoorde, nooit.

Hij draaide alles. In de beste uitvoeringen. Hij hield van lieflijk en romantisch (Schubert, Mozart, Chopin), maar ook van Prokofjev, Scriabin en Janacek. Hij draaide Bach of Scarlatti, maar ook Franse chansonniers zoals Leo Ferré of Jean Ferrat. Hij hield van flamencomuziek. Een tijdlang wilde hij zijn smaak verrijken, moderner worden. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig kwam hij met Yellow Submarine van de Beatles thuis, met Simon & Garfunkel, met de Rolling Stones. Dat verveelde hem snel. Te makkelijk. Hij had periodes. Oude muziek. Zang. Mahler. Kamermuziek. Symfonieën. Piano. Kamermuziek.

Muziek was van mijn vader. En als hij genoot van het gebrul en geschetter van Bruckner, dan stelde mij dat gerust. Hoe lelijk ik dat ook vond en hoezeer het lawaai ons huis dan tijdelijk overnam.

Genieten had in zijn geval te maken met troost. Anders gezegd: genieten van muziek had met pijn te maken. Hij had relaties met klanken en instrumenten die onbereikbaar voor mij waren, louter en alleen omdat het zijn relaties waren. Die muziek was mijn vaders vriend, muziek, vooral klassieke, maakte hem gelukkig, en daarom wekte muziek meer dan iets anders bij mij vooral ontzag.

Zijn bedoeling was dat niet. Hij deed zijn best ons te laten delen in zijn vervoering. Vol enthousiasme liet hij ons naar nieuwe aankopen luisteren, platen, bandjes, later cd's: moet je dit horen, zei hij dan, dit is subliem. Hij sloot zijn ogen en verdween zienderogen in een mist van klanken. Ik deed mijn best. Vaak vond ik alleen een heel klein stukje mooi, een dramatisch thema bijvoorbeeld. Mijn vader kon een hele symfonie lang op de bank zitten luisteren. Ik wachtte wrevelig op die ene bedwelmende zangsolo in Mahlers vierde, werd gek van al dat eindeloze gedraai om thema's die me veel te ver, te abstract en te treurig waren.

Mijn vader had geduld. Het kwam ook niet bij hem op om muziek zomaar door te spoelen, op zoek naar het lekkerste stukje. Lekkere stukjes betekenen niets zonder hun omgeving, besefte ik dan weer nederig. In zijn bijzijn bracht ik het veel gemakkelijker op te wachten tot de rijstebrijberg van opmaten en afgeleide thema's eindelijk doorgeploegd was - doordat dat bij hem vanzelf sprak. Wel hief ook hij zijn neus en zijn vinger in de lucht als hij het mooiste voelde naderen. Luister, daar komt het, fluisterde hij dan, ogen glanzend, voorhoofd gespannen, die vinger tegelijk gastvrij en onverbiddelijk bij zijn rechteroor. Hoor, maar zwijg! Mij vertelde muziek ondertussen ook een ander ding: dat mijn vader misschien wel gelukkiger werd van klanken dan van mensen. Van verhalen zonder woorden. Al die prachtige, lieflijke, rauwe, abstracte, jubelende, strenge muziek die hij me liet beluisteren, hoorde tot zijn wereld. Een Utopia van troost en weemoed. Zelfs de vrolijke stukken, de opgewekte en lieflijke pianosonates, de verfijnde strijkkwartetten, de luchtige speelse trio's die hij me aanried, ze deden me allemaal pijn. Maar ik vond ze ook mooi, omdat ik ze zo graag even mooi zou vinden als hij en daarin altijd tekortschoot, dat wist ik zeker.

Maar wat tijdens zijn leven nog een lekkere pijn was - omdat er zoveel enthousiasme en bevrijding tegenover stond - is nu bijna onverdraaglijk geworden. Hij is er niet meer, wat onbegrijpelijk is, en de muziek zingt en jubelt en klaagt maar onverdroten voort wanneer is onverhoopt mijn cd-speler aanzet. O de radio.

Toen ik na mijn vaders dood voor het eerst Schubert hoorde, wist ik het meteen. Het celloconcert van Dvorak kan ik ook niet aan. En dat is maar een greep van niets. Mijn vader luisterde naar zóveel, en ik heb zó onnoemelijk veel van hem te horen gekregen, dat het grootste deel van het arsenaal aan klassieke werken vrijwel onbegaanbaar voor me is geworden.

Verweesde muziek is het. Muziek zonder vader, muziek zonder zin. Wat is muziek als hij er niet meer naar kan luisteren? Ik spoel door naar het allermooiste stukje Mahler en ben elke keer weer verbaasd dat het niet zo mooi is als vroeger, toen het nog ingeklemd stond tussen eindeloos veel meer Mahler en ik van liefde en geduld leerde van mijn vader.

Jessica Durlacher is schrijver. Haar laatste roman 'De dochter' verscheen vorige maand bij De Bezige Bij.

    • Jessica Durlacher