`Ik laat zien wat de beste keuze is'

Hans Andersson heeft veel invloed, fluistert men, zelfs op wetgevend terrein. Maar hij wil graag buitenstaander blijven. `Wij drammen dan redelijk door.'

Menig politicus, met name binnen de Partij van de Arbeid, denkt aan organisatie-adviseur Hans Andersson (54) wanneer het er echt om spant, of als hij er niet meer uitkomt. Andersson `organiseerde' in recordtijd de nieuwe Vreemdelingenwet van staatssecretaris Job Cohen van Justitie. Andersson zat in de PvdA-commissie die voor de Kamerverkiezingen van 1994 op zoek ging naar nieuwe kandidaten, die niet uit de zittende partijkaders afkomstig waren. En eerder dit jaar liet Andersson op verzoek van de PvdA-top zijn licht schijnen over de conflictueuze verhoudingen binnen het bestuur. Vervolgens ruimde voorzitter Van Hees het veld.

Met name deze laatste rol leidde tot hevig gemor in de tot zestigduizend leden geslonken gelederen van de PvdA. Wat moet dat eigenlijk, zo'n door niemand gecontroleerde organisatie-adviseur, die zoveel invloed heeft? De benaming `Raspoetin' viel, naar de monnik die de laatste, door de Russische revolutie verdreven tsaar in zijn duistere greep had.

Zo hoog is de kritiek uit de afdelingen inmiddels opgelopen, dat de partijleiding binnenkort een `informele informatieve' bijeenkomst hierover belegt. De afdelingen kunnen daar vragen stellen over de gang van zaken rond de val van de vorig jaar verkozen Van Hees, in wie veel partijleden nu juist een tegenwicht van de `provincie' tegen de Haagse partij-elite hadden gezien.

De man tegenover ons, in zijn helder verlichte kantoorvilla in Utrecht, formuleert omzichtig. Zelf omschrijft hij zijn wijze van spreken liever als `zorgvuldig'. Wie gewend is met grote belangen om te gaan, kijkt kennelijk wel uit om door stellige uitspraken de tegenpartij onnodig houvast te geven. ,,Vaak heb ik gedacht over de rol van politicus, maar nooit een echte stap gezet'', zegt Andersson. Ideeën heeft hij in overvloed: over de crisis in de partij, het falend innovatief vermogen van de overheid – er lijken weinig bestuurlijke onderwerpen te zijn waar Andersson geen opvatting over heeft.

Inderdaad heeft hij invloed, geeft hij toe, net als zoveel externe deskundigen en partijleden in de PvdA, die een bijdrage leveren aan de gedachtenwisseling in de partij, of in het wetenschappelijk instituut van de partij, de Wiardi Beckman Stichting. Natuurlijk legt hij over zijn optreden verantwoording af, `in en aan de betreffende organen', meestal aan het dagelijks bestuur, het partijbestuur, of ook aan het partijcongres, zoals in het geval van het werk voor de commissie kandidaatstelling.

Over de `casus Marijke van Hees' wil hij liever niets zeggen, heeft Andersson tevoren laten weten. Zijn `bijdrage' aan de oplossing van de crisis binnen het partijbestuur heeft hij – overigens op vrijwilligersbasis en als partijlid – geleverd onder verantwoording van de partijtop. ,,Als ik daar nu weer een bijdrage aan toevoeg, heb je voor je het weet een nieuwe discussie.'' Het verwijt dat zijn bijdrage ten aanzien van Van Hees democratisch oncontroleerbaar was, wijst hij van de hand. ,,In de eerste plaats heb ik uitvoerig verantwoording afgelegd aan haarzelf en vervolgens ook aan het dagelijks bestuur en het partijbestuur.''

Het was zeker niet het eerste conflict waarin hij als deskundige is opgetreden, vertelt hij. Andersson herinnert zich een zaak tussen de burgemeester en de politiechef van Breda, die niet meer door één deur konden en alleen nog via de media met elkaar communiceerden. Zijn voorkeur heeft dit soort werk zeker niet. ,,Maar ik weet dat ik soms een gezaghebbende bijdrage kan leveren om een conflict te voorkomen, of – als het is uitgebarsten – het op een wijze manier te beoordelen.'' Dat is de vrucht van ervaring.

Openbaar bestuur, dat is voor deze organisatie-adviseur een kolfje naar zijn hand. Nog steeds is hij er trots op, als adviseur en lid van verschillende commissies vanaf de jaren zeventig, een van de geestelijke vaders te zijn van de hervorming van de Nederlandse politie, de hervorming die ons onder andere de wijkteams heeft gebracht. Nederland heeft, meent Andersson, op die manier een politie gekregen die dichter bij de bevolking staat en meer vertrouwen geniet dan in de ons omringende landen het geval is. Soms was hij adviseur van de korpsleiding, zoals in Amsterdam, soms was hij adviseur van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.

En meer recent is er dan die Vreemdelingenwet. Het wetsontwerp moest in korte tijd tot stand komen, en de ambitie was bovendien dat het wetsontwerp meteen rekening zou houden met de uitvoerbaarheid. ,,Het was een immense opgave'', vertelt Andersson. ,,Ik was gevraagd als leider van een team van zowel wettenmakers als beleidsmakers. We hielden een open contact met alle deskundigen en belanghebbenden.'' Andersson trad in november 1998 aan op Justitie, voor drie dagen per week.

Gemeentebesturen, vreemdelingendiensten, vrijwilligersorganisaties die zich bezighouden met asielzoekers – iedereen in Nederland die zich bezighoudt met vreemdelingen vond bij Anderssons team een open oor, als men al niet het gevoel kreeg zelf aan de opstelling van de nieuwe wet bij te dragen.

Heeft zo'n teamleider niet enorme politieke invloed, in die zin dat hij, en niet de staatssecretaris bepaalt wat er in het wetsontwerp moet staan? Andersson ontkent: ,,Je hebt invloed door de manier waarop je het werk organiseert, vraagstellingen voorlegt, effecten laat zien. Maar ten principale zorg je er voor dat er een scherpere rol van de politiek mogelijk is. We hebben het zo georganiseerd dat Cohen kon zien: als ik de doelstellingen van het regeerakkoord wil waarmaken, moet ik de discussie aangaan over één status voor alle vluchtelingen.''

Daaraan verbonden, legt Andersson uit, was dat dan alle asielzoekers ook dezelfde voorzieningen moesten krijgen – vandaar het grote belang van het betrekken van de toekomstige uitvoerders van de wet vanaf de eerste fases van het wetsontwerp. ,,Maar niet ík heb bepaald of er één of twee statussen moesten komen, en ook niet of er één voorzieningsniveau moest komen. Dat was echt aan de politiek. Het team heeft alleen in effectanalyses laten zien dat het de beste keuze was, gezien de doelstellingen die werden nagestreefd.''

De organisatie-adviseur als bouwer van consensus? ,,De tegenstellingen en meningsverschillen over het onderwerp zijn niet toegedekt. Natuurlijk is er heel veel gediscussieerd, voordat er in de Tweede Kamer begin dit jaar over het wetsontwerp gedebatteerd werd. Het enige wat ik heb toegevoegd is dat op een systematische manier alle deskundigen, belanghebbenden en uitvoeringsorganen erbij betrokken waren.''

De organisatie-adviseur als de perfecte ambtenaar? ,,Nee, want als ze mij nog een keer vragen, dan doe ik het niet. En als buitenstaander binnen een ministerie leg ik natuurlijk zonder aanzien des persoons dingen voor die binnen de hiërarchie van een ambtelijke organisatie heel wat voorzichtiger en terughoudender worden geuit. Wij drammen dan redelijk door, gezien onze opdracht, en de wensen van Cohen.''

Dat een externe adviseur als hij los zou staan van de normale ambtelijke gang van zaken is onjuist, zegt Andersson. ,,Ik werk in opdracht van de ambtelijke top en verantwoord mij daar via voortgangsverslagen, zowel mondeling als schriftelijk.''

Andersson en zijn team zullen nog een halfjaar bezig zijn op het ministerie, om de zaak over te dragen. De afspraak loopt tot 1 januari en wordt eventueel nog tot juli volgend jaar verlengd. ,,De volgende keer gaan ze het zelf doen'', voorspelt hij. Zelf lijkt hij minder verrast door zijn rol bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet dan de Haagse politiek is geweest: ,,Vernieuwingen komen vaak van buiten in een ambtelijke organisatie, dat is een heel normaal verschijnsel.''

Lid van de Partij van de Arbeid is Hans Andersson sinds 1976, of '75, het exacte jaar is hem even ontschoten. Hij woonde toen in Rosmalen, een voormalig dorp en forensengemeente nabij Den Bosch. Daar was hij vijf jaar bestuurslid van de afdeling en tien jaar lid van de gemeenteraad – tot op heden zijn hoogste hiërarchische functies binnen de partijorganisatie.

Vanaf dat prille begin bezag Andersson de PvdA met een kritisch oog, blijkt uit zijn verhaal. Het waren grote jaren voor het partijleven, de jaren van Den Uyl. Partijcongressen en partijraden hadden het idee mee te regeren en mee te strijden voor een betere samenleving – een schril contrast met de sterk geslonken partij van heden waarin de leden vaak het gevoel hebben van iedere invloed op Tweede Kamerfractie en PvdA-ministers te zijn verstoken.

De situatie van de PvdA in het zuiden was een bijzondere. De partij profiteerde van het afkalven van de traditionele macht van de Katholieke Volkspartij in deze streken en was, zegt Andersson, voortdurend op zoek naar nieuw publiek: jongeren, vrouwen. Daarbij viel op dat er in Rosmalen toch hele wijken en groepen waren waar men niet het flauwste benul had waar de politiek eigenlijk over ging. En dat die politiek zelf maar hele flauwe noties had over wat men beoogde, in een gemeente die van een dorp veranderde in een stedelijke omgeving.

Onder de nieuwe leden, herinnert Andersson zich, waren er maar heel weinig die echt gegrepen werden door al die eindeloze vergaderingen en documenten. ,,Je zag dat in zo'n partijorganisatie tenslotte de dienst wordt uitgemaakt door toch maar een hele kleine groep.'' En wat hem in hoge mate irriteerde, was een deels ideologisch bepaalde afkeer van maatschappelijke vernieuwing. ,,Toen ik later gewestelijk afgevaardigde was, heb ik daar wel eens een aanvaring met Den Uyl over gehad. Dat was een bijzondere persoonlijkheid natuurlijk, maar hij nam soms extreme standpunten in. Hij legde dan het verschijnsel automatisering naast het werkgelegenheidsvraagstuk en concludeerde: dat moeten we niet hebben. Dat kwam voort uit een conservatieve levenshouding: voor mij geen auto, voor mij geen vliegtuig.

,,Maar ik was in die tijd al adviseur van ondernemingsraden en wist dat mensen in de bedrijven vaak erg blij waren met automatisering. Omdat het een modernisering betekende, een kwaliteitsverbetering. Den Uyl zag niet in dat hij zich vervreemdde van wat zich in de samenleving voltrok. Het heeft in het algemeen trouwens niet veel zin je te verzetten tegen dingen die toch komen.''

Ook toen hij zich later ging bezig houden met de reorganisatie van de politie voelde Andersson die conservatieve weerzin onder veel partijgenoten. In de PvdA van de jaren zeventig, herinnert hij zich, was het denken over de politie als instrument van de heersende klasse nog wijdverbreid. Dat was niet iets waar je je als rechtgeaard sociaal-democraat mee ging bezig houden.

Toch komt Andersson uit wat vroeger, toen Nederland nog verzuild was, met vertedering een `rood nest' werd genoemd. Grootmoeder betoogde op het Malieveld voor vrouwenrechten, grootvader richtte de VARA-afdeling Alkmaar op. De geschiedenis van de arbeidersbeweging werd hem met de paplepel ingegoten, de maatschappelijke betrokkenheid kreeg hij van thuis mee. ,,Ik heb er nooit aan getwijfeld dat ik in de PvdA mijn roots en mijn basis wilde hebben.'' Het werk voor de partij (bestuurscrisis, kandidatencommissie) verricht hij op vrijwilligersbasis, maar het komt mede voort uit zijn bedrijfsadviezen en de daarbij ontwikkelde kundigheden. Ook de wereld der KPMG's en Berenschots is misschien niet iets dat je aanstonds in verband zou brengen met het linkse denken van de jaren zeventig, maar Anderssons loopbaan in deze met het grote geld geassocieerde wereld is dan ook een enigszins afwijkende.

In 1975 richtte hij met veertien collega's de Nederlandse Organisatiekring op, een bureau op ideële grondslag dat binnen de wereld van het Nederlands organisatie-advieswezen een rol speelde die zich laat vergelijken met die van de sociale advocatuur binnen de advocatuur. De organisatie-adviezen gingen veelal richting ondernemingsraden, welzijnswerk, en de overheid. Het experiment duurde tot 1982. ,,Toen was een aantal oprichters ouder geworden en had zo langzamerhand niet zo heel veel zin meer in het eindeloos praten. Want bij de Nederlandse Organisatiekring waren ook de secretaresse en de andere medewerkers allemaal mededirecteur en mede-eigenaar.''

In 1982 ontstond Andersson Elffers Felix b.v., kortweg AEF. Afgaande op de informatie op de website (www.aef.nl) is het bedrijfsleven daar wel volop welkom: fusies worden als een der eerste specialiteiten genoemd. Anderszijds laat AEF met enige trots weten `niet van alle markten thuis te zijn' – er moet kennelijk nog wel een zeker sociaal aspect zijn aan de behandelde materie. Zulke bedrijven zijn makkelijker te vinden dan vroeger, omdat het marktdenken in zwang is geraakt: overheid en quasi-overheid lopen veel meer in elkaar in over. AEF is trouwens relatief klein, met 34 adviseurs. Onder de oud-medewerkers is Roger van Boxtel (D66), thans minister voor Integratie- en Grote stedenbeleid.

,,Wij hadden ook een bureau met honderden adviseurs kunnen maken'', zegt Andersson. ,,Met mijzelf in de managersrol. Of ik had lid kunnen worden van een of andere Raad van Bestuur of interessant werk bij de overheid kunnen krijgen. Voor die dingen ben ik wel eens gevraagd.'' Maar hij blijft liever buitenstaander, zegt hij, daar heeft hij plezier in. ,,Ik vind dit werk heel leuk. Doordat je intensief mee gaat doen in een organisatie, kijk je in de keuken op een manier waarop een vaste medewerker van een organisatie nooit zal doen.''

Omdat het van belang is om voeling te houden met verschillende lagen van de samenleving, beweegt hij zich zowel commercieel als vrijwillig op uiteenlopende terreinen: hij zette het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam op (zijn vrouw is trouwens architect), maar was ook betrokken bij de Utrechtse Jazzclub. ,,Ik vind het heel wezenlijk dat ik verschillende groepen mensen snap, dat ik weet wat daar speelt. Zo ben ik opgevoed: je moet niet van boven af structuren willen organiseren, maar vanuit de samenleving.''

Het inbrengen van nieuw bloed in de Tweede Kamerfractie, met kandidaten die niet eerst carrière hadden gemaakt vanaf de basis in de PvdA, is een succes gebleken, meent Andersson. Natuurlijk zijn sommigen mislukt, ,,maar ik vind het een interessante graadmeter dat andere partijen soms jaloers zijn op de kwaliteit van de Tweede Kamer-fractie''. En de discussie binnen de PvdA over de vraag of partijleden die zich niet eerder hebben bewezen in de partijorganisaties wel thuishoren in de fractie, is binnen de PvdA inmiddels verstomd – dat vindt hij ook een teken.

Toch is er binnen de PvdA in zijn geheel van grote onzekerheid sprake, stelt Andersson vast. ,,Er heerst onduidelijkheid over wat onze taak nog moet zijn. Moeten we nog vast houden aan de gewestelijke afdelingen, aan die traditionele structuren met bezoldigde en onbezoldigde mensen? Ook de vraag hoe het partijbestuur en het dagelijks bestuur moeten worden georganiseerd, leeft nog volop.'' Toch is er toekomst voor het verschijnsel politieke partij, denkt Andersson. Als je ziet hoe in Nederland sport- of zangverenigingen bloeien, dan blijkt het wel degelijk mogelijk om mensen nog te organiseren.

,,Ik heb daarover niet een eenduidige mening, of een model hoe het wel moet'', zegt hij. Het zojuist verschenen rapport van de partijcommissie-Brouwer, waarin gepleit wordt voor de instelling van een Politiek Forum, heeft hij nog niet gelezen. ,,Maar ik weet wel dat als een politieke partij er niet in slaagt zichzelf in de samenleving zodanig te organiseren dat er een permanente vertrouwensbasis is bij groepen kiezers, je wel kunt vergeten dat je op een democratische manier de kwaliteit van de samenleving verbetert. Dan word je inderdaad die kaste en die oligarchie'', zegt Andersson, verwijzend naar interne kritiek dat de partij steeds meer in de richting van een machteloze `kiesvereniging' voor de partijtop ontaardt.

Vernieuwen, de tekenen van de tijd verstaan, is moeilijk, voor een partij evengoed als voor de overheid. ,,In het Paarse kabinet is er nu redelijke overeenstemming over wat de problemen zijn, maar ze worden niet opgelost. Dat heeft te maken met de Nederlandse coalitiepolitiek, waarbij keuzes al heel gauw compromissen worden. En echt organiseren, in de zin van vernieuwende ontwikkelingen zelf ter hand nemen, dat kan die overheid ook niet goed.

,,Nieuwe manieren van werken zullen toch op de een of andere manier via druk van buiten tot stand moeten komen. Ja, dat zie ik als een interessante rol en opgave voor types zoals ik.''