Halloween

Er is een bepaald soort verleidingen waarvan een grote zuigkracht uitgaat, terwijl je toch zeker weet dat je er nooit voor zult bezwijken – niet omdat er zo'n afschrikwekkende straf op zou volgen, maar omdat je zeker weet dat je het volgende ogenblik je met het resultaat van je zelftoegeeflijkheid geen raad zou weten. Een verleiding, sterk als de bliksem en van even korte duur.

Dat is mijn theorie. De praktijk ervaar ik als ik voor de etalage van een feestartikelenwinkel sta. Mombakkesen! Ze worden steeds mooier, van soepel rubber in natuurgetrouwe vleeskleuren. Een tandeloze, zwakzinnig grijnzende Methusalem, een toverkolgezicht overdekt met wratten, Dracula, een fronsende mensaap. Zou ik? En dan naar kantoor, aan mijn bureau gaan zitten, het ding opzetten en gewoon aan mijn stukje gaan tikken? Je weet wat er gebeurt. Een voor een komen ze kijken; ten slotte hele clubjes voorzichtig om de hoek van de deur. ,,Ssst! Montag is niet goed snik geworden. Wat moeten we doen?'' Daarom zal ik wel wijzer zijn; maar de verleiding blijft. Ik troost me ermee dat ik niet de enige ben die de zuigkracht voelt. De beschaving heeft speciale dagen vastgesteld waarop de mensen er met hun allen aan toe kunnen geven. Carnaval. Het nadeel is dat je erbij moet stampen en hossen en je laveloos drinken.

Halloween, dat op de avond van 31 oktober in Amerika en Groot-Brittannië wordt gevierd, geeft ook de gelegenheid tot zo'n verkleedpartij. Zoals bij alles waarmee de vrije markt zich bemoeit, gaat het er steeds professioneler toe. Je kunt bijvoorbeeld voor een paar honderd dollar als een kwijlende alien de straat op. Maar de kern van het feest is te goed; er is voldoende resistentie tegen het bederf van de beroepsmatigheid. Als het op mooie vermommingen aankomt, gaat het menselijk vernuft zijn eigen wegen, zoals hieronder zal blijken.

Ik ging de etalages bestuderen. Veel van het gebruikelijke: Dracula's met bloed aan hun tanden, doodskoppen, gorilla's, biljartbal-kale gnomen, duivels, toverheksen, enz. Daarbij komt het toebehoren: een half afgekloven bot, een mensenhand met bloederig stompje; en iets wat ik niet eerder had gezien. Aan de ingang van een feestwinkel hingen aan hun poten een stuk of twaalf natuurgetrouw geplukte kippen, over de ogen een vliesje, snavel half open. Die moest je in de optocht aan de poten in het rond zwaaien. Elf dollar per stuk. Welk brein heeft het bedacht? Welke fabrikant heeft geroepen: dit is een goed idee! Daar zit geld in! Hij had gelijk. Ik zag dat iemand er drie voor zich liet inpakken.

En dan waren er natuurlijk de beroemde mensen: George Bush, Al Gore, Hillary en Bill. Monica was niet meer verkrijgbaar, het Bill-masker likte met een grote tong zijn lippen af. De televisie had onderzoek gedaan naar het meest verkochte masker. Dat van Al Gore had een grote voorsprong genomen. Een voor de gelegenheid gerekruteerde deskundige legde uit dat dit niet veel goeds voor de vice-president voorspelde. Jammer, dacht ik, dat bij ons het maken van maskers van politieke gezichten niet populair is. Ga eens als Wim Kok of Jozias van Aartsen de straat op, en noteer wat u overkomt.

Op het ogenblik dat de Halloween-optocht werd ontbonden, zat ik te eten, in het café-restaurant dat ik wel eerder heb beschreven: links een bar, rechts het eetgedeelte, van elkaar gescheiden door een koperen hek. Het Monster van Frankenstein was de eerste. Knap gedaan: een man die op tien centimeter dikke plateauzolen zich als een mechaniek voortbewoog. Hij ging aan de bar zitten en goot een biertje in het gat van zijn bij elkaar genaaide gezicht. Daarna kwam een echtpaar. De man was met zijn gewone gezicht gegaan; de vrouw had een soort bivakmuts op, voorzien van twintig centimeter lange, rechtop staande oren. Het zag eruit als zelf gemaakt. De man keek gelaten. De vrouw wilde een hamburger. Terwijl ze kauwde, bewogen haar oren mee als dikke naalden van een seismograaf. Ik dacht: was Martin Bril maar hier. Die had er iets van gemaakt!

En toen kwam de heldin van dit stukje. Ze had zich als slachtoffer aangekleed, het hoofd in verband gewikkeld, met spleetjes voor ogen, neus en mond. Ook de rest zat zoveel mogelijk in windsels verpakt. Ze was een ranke, lenige vrouw. Behendig slingerde zij zich op een kruk, tussen een gewone man en een zwart gehuifde monnik met spijkertanden. Beiden bogen zich naar haar toe. Het was een hels kabaal in de ruimte, jukebox en televisie stonden op volle kracht. Maar je hoefde niet te kunnen horen; je kon wel zien wat beide heren zeiden: ,,U ziet er leuk uit. Wilt u iets drinken?''

Daarmee hadden ze het point of no return achter zich gelaten. Toen zagen ze dat de ingezwachtelde stomdronken was. Ja, ze wilde graag iets drinken. Uit de jukebox kwamen op volle sterkte The Supremes met Baby Love, My Baby Love. Ze bewoog soepel mee. Dreigde ze uit de bocht te vliegen, dan ving een van haar cavaliers haar op. Boven haar hoofd vertelde Bush op de televisie dat Gore niet deugde, en andersom idem. Niemand keek.