GOUDEN EEUW

Onder de titel `Nederland wil geen Gouden Eeuw' vindt men in W&O van 30 september een gesprek met professor Jan de Vries uit Californië. Als econoom en historicus memoreert hij dat in onze Gouden Eeuw (16de en begin 17de eeuw) veel inwoners van omliggende landen naar Nederland kwamen. Hij constateert dat toen een tijd van vernieuwing over de mensen kwam, een periode van creativiteit en inspiratie, ``waar zelfs de sociale wetenschappen geen theorie of verklaringsmodel voor hebben''.

Die verklaring is er wel degelijk. Zij is grotendeels terug te voeren op de bijzondere natuurlijke omstandigheden. Zo had Nederland veel visrijke binnenwateren en grenst het aan de Noordzee die toen nog bijzonder visrijk was. Door het grote verschil tussen eb en vloed langs de vlakke Hollandse kust konden haringvissers hun bomschuiten op het strand eenvoudig laten droogvallen en waren schelpenvissers in staat daar hun karren gemakkelijk vol te scheppen. In verscheidene delen van Nederland werden grote hoeveelheden bagger- en steekturf gewonnen. Het groene hart van de Randstad bestond uit ondiep ontwaterd en daardoor langzaam verterend eutroof veen, waar zuivelbedrijven ongeëvenaard productief waren. Elders vond men weelderige akkerbouw en fruitteelt op rivier- of zeeklei. Toen in Holland (=HOLTland) het oorspronkelijke houtgewas verbruikt was, kwam voordelig hout in vlotten de Rijn afzakken.

Het uitgebreide stelsel van natuurlijke en gegraven waterwegen maakte goedkoop vervoer mogelijk van goederen en vooral ook van mensen. Trekschuitdiensten met vaste dienstregelingen waren als openbaar vervoer algemeen toegankelijk: `allemaal in hetzelfde schuitje'. De zeehavens waren goed bereikbaar over de binnenwateren, de kustvaart bloeide. De sprengenbeken onttrokken aan de Veluwe dermate zuiver bronwater, dat papier van wereldvermaarde kwaliteit gemaakt kon worden. De enorme omvang van dit grondwaterreservoir zorgde voor vrijwel constante beekdebieten van constante temperatuur en met een verval dat groot genoeg was voor bovenslagmolens. Door dit alles konden deze molens – niet afhankelijk van windstiltes, neerslagtekorten of ijsverstoppingen – ononderbroken een constant arbeidsvermogen leveren.

Het samengaan van die positieve omstandigheden verklaart het ontstaan van de periode van creativiteit en inspiratie nadat eendracht tussen provincies de rivaliteiten tussen middeleeuwse potentaten had vervangen. In die welvoorziene samenleving konden kunstenaars, wetenschappers en andere ondernemende mensen zich zorgenvrij ontwikkelen. Er kwamen in die tijd trouwens ook gastarbeiders, bijvoorbeeld Duitse seizoenarbeiders: hannekemaaiers bij hooiende boeren en grondwerkers bij het graven van trekvaarten. Ook in dit opzicht stemt de Gouden Eeuw overeen met de huidige tijd, vooral met het derde kwart van de vorige eeuw. Toen leidde de plotselinge overvloed aan energie uit olie en aardgas tot een grote welvaart en daarmee tot een tekort aan inheemse werknemers. Daarna wonnen milieu-aantastingen onrustbarend terrein. De daarmee gepaard gaande kosten vragen bezuinigingen in andere maatschappelijke sectoren. In de Gouden Eeuw kwam dit nauwelijks aan de orde.