Een gaffe

Schaamrood. Door de grond gaan. Ergens anders willen zijn, heel ver weg. Gloeiende kop, rillingen over de rug. Nachtmerriescenario. Ik heb het niet over Kok en Van Aartsen met hun blunders en bloopers in de Tweede Kamer. Het kan altijd nog aanzienlijk deerniswekkender. Denk eens aan die arme stumper Gerhard Schröder en huiver van medelijden. De bondskanselier overkwam dinsdag misschien wel het pijnlijkste wat een Duitse regeringsleider in zijn benauwdste angstvisioen kan verzinnen. Hij doofde per ongeluk de eeuwige vlam die bij het Yad Vashem-monument in Jeruzalem brandt ter nagedachtenis van de zes miljoen in de holocaust vermoorde joden.

Als een fictieschrijver zoiets bedenkt, doe je het af als al te ongeloofwaardig en bizar. Bestaat niet, te dwaas, te pathetisch. Ook helemaal geen goede grap, want te grof en te gekunsteld. Maar het is gebeurd. Ik heb er wel eens over gefantaseerd om in de trein in een impuls, zomaar, aan de noodrem te trekken. Nooit gedurfd. Afgelopen zomer zat ik steevast in spanning als op de televisie verslag werd gedaan van de tocht met het olympische vuur door Australië. Allerlei halve garen probeerden de symbolische fakkel te doven en dat werd telkens op het laatste nippertje met uiterste krachtsinspanning verhinderd. Maar dit soort sensatie valt in het niet bij wat er in Schröder moet zijn omgegaan. Plaatsvervangend breekt het klamme zweet me uit.

Stel het je voor. Schröder staat zwijgend en ernstig kijkend bij de vlam, keppeltje op, elke vezel in zijn lichaam tot het uiterste gespannen, op van de zenuwen. Dat hendeltje in de muur, dat hendeltje... Hij zal toch niet... Het zal toch niet... Hij ziet zijn hand reiken naar dat hendeltje. Hij moet het naar boven duwen om de vlam helderder te maken. Hij voelt zijn vingers zich er omheen klemmen. Een klein rukje eraan volstaat. Alles gebeurt onbewust. Met een robotachtige beweging haalt hij het ten slotte over. Pardoes trekt hij het omlaag.

Iedereen verstijft. Het hart van de bondskanselier mist een slag, zijn adem stokt. Waar is de eeuwige vlam gebleven? Daar ziet hij al zijn gastheer Barak op de grond rondtasten in het halfduister, onhandig in de weer met een aansteker, maar het lukt de Israëlische premier niet het vuur weer te doen ontbranden. Seconden verstrijken, het lijken uren. Paniek giert Schröder door de keel. Technici snellen toe. Daar is de vlam weer. Pfff...

Een gemompeld excuus volgt. Wat verder te zeggen? Niets. Hier mag je nooit een grap over maken, nooit. Duitsland, Israël, gaskraan, vooral niet aan denken. Doorgaan alsof het niet is gebeurd, iets anders zit er niet op. Arme Schröder. Juist op dit bezoek had hij zich zo terdege voorbereid. Hij had er ook de hele tijd al erg tegenop gezien. Juist nu de situatie in Israël zo precair is, was het zaak geen enkele fout te maken en zorgvuldig tussen de klippen door te laveren. Uiterst delicaat moest hij enerzijds Israël steunen, anderzijds het Europese ongenoegen kenbaar maken over het geweld. Barak te vriend houden, Arafat apaiseren. Hij leek zich er perfect doorheen te slaan. En dan zo'n blunder.

Wat zouden de Duitse en vooral de Israëlische media hier niet mee kunnen doen? Maar nu komt het. Wat volgde was een serene stilte. Noch de Duitse, noch de Israëlische pers voelde ook maar de geringste behoefte het ongelukkige voorval breed uit te meten. Integendeel, de media toonden zich dermate terughoudend, dat het publiek zowel in Israël als in Duitsland alleen met de grootste moeite te weten heeft kunnen komen dat de bondskanselier de eeuwige vlam doofde. Als de pers in de twee landen er al melding van maakte, dan beperkte zich dat tot een summier regeltje.

Wat te denken van zoveel journalistieke discretie, zoveel mededogen? Het was toch zeker een verbluffend verhaal, de gaffe, de flater, van de kanselier? De media zouden Schröder tot de risee van de internationale diplomatie hebben kunnen maken. Zij hadden zijn ongeluk kunnen vergelijken met de dronken capriolen van Jeltsin, met de sigaar van Clinton, met de uitglijder van Reagan die tijdens een geluidstest olijk opdracht gaf tot het beginnen van een atoomoorlog. Zij hadden er in geuren en kleuren over kunnen schrijven en een complete tragikomedie kunnen opvoeren. Misschien hebben zij dit nagelaten uit pure gêne, maar waarschijnlijker is dat men serieus de nieuwswaarde van het incident heeft afgewogen om tot de conclusie te komen dat het elke relevantie miste. Waarom heisa maken over een stompzinnig ongelukje dat uiteindelijk niets te betekenen heeft?

Wat ik me nu afvraag, is hoe we hier op zoiets gereageerd zouden hebben, als het Kok was overkomen, of Van Aartsen. Zouden ze met wellust zijn neergesabeld? Of kunnen we de dingen nog in proportie zien?

Bij het lezen van de opgewonden verhalen over de donderdagavond demonstratief bijgelegde ruzie tussen de premier en de minister van Buitenlandse Zaken bekroop me wel eens de gedachte: waar gaat dit eigenlijk over? Wat maakt het uit wie wanneer wat precies wist, hoorde, lekte, terloops vertelde, achterhield, als dat voor de benoemingskwestie waar het over ging nul komma nul betekende? Uiteindelijk werd het binnenskamerse gesteggel een publieke halszaak.

De eenheid van het regeringsbeleid, het aanzien van de regering, het internationale prestige van Nederland, de afbakening van competenties tussen BZ en Algemene Zaken, het verval van de paarse coalitie – dat alles zou in het geding zijn geweest. Ik geloof ook wel dat het daar ten slotte op uit liep. Maar aanvankelijk was het, vermoed ik toch, gewoon humeurigheid en dommigheid. Humeurigheid van Kok over de in zijn ogen ondermaatse Van Aartsen, kleinzerigheid van Van Aartsen over de in zijn ogen arrogante Kok. Klein menselijk leed van een autoritaire nurk en een parmantig pauwtje.

We zitten zo langzamerhand alleen nog maar te wachten op hun volgende blunders, verlekkerd, met sardonisch genoegen, vervuld van leedvermaak.