Economen worden bescheiden!

De eerste Nobelprijs economie was voor prof. Jan Tinbergen, grondlegger van de statistische economie. Al vóór de Tweede Wereldoorlog pionierde hij met statistische formules die de economische dynamiek van een compleet land probeerden te imiteren. Toen Tinbergen in 1946 oprichter-directeur werd van het Centraal Planbureau, hielpen zulke rekenmodellen bij het interpreteren van de cijfers van Nederlands economisch herstel. Nu gaat de Nobelprijs 2000 voor de helft naar prof. James Heckman van de Universiteit van Chicago, opnieuw een pionier in de toepassingen van statistiek. Die prijs is een mooi symbool voor grote veranderingen in het wetenschappelijk onderzoek, en trouwens niet alleen in de economie.

De methode van Heckman wil ik illustreren met een belangrijk voorbeeld uit het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet.

In het nummer van 21 oktober 2000 rapporteert het Engelse toptijdschrift over `stuitbevallingen'. Ook in Nederland zijn bijna 5 procent van de bevallingen `stuiten' en moeten dus de aanstaande moeders en de gynaecoloog in ongeveer 10.000 gevallen per jaar de moeilijke keus maken tussen een vaginale bevalling of een keizersnede. De onderzoekers keken naar uitkomsten van ruim 2.000 bevallingen, ongeveer half-half verdeeld over de twee methoden. In april van dit jaar werd het onderzoek stopgezet omdat geen twijfel meer bestond over de uitkomst: een keizersnede is significant veiliger voor de baby en niet gevaarlijker voor de moeder.

In een hoofdartikel schrijft The Lancet dat de resultaten nu snel moeten worden verspreid onder zwangere vrouwen, hun echtgenoten en alle gynaecologen die helpen bij bevallingen. Dat gaat trouwens in Nederland ook gebeuren. Op 16 november vergadert op Papendal de Nederlandse vereniging voor obstetrie en gynaecologie en nu al is de voorspelling dat de richtlijn voor stuitbevallingen onmiddellijk zal worden herzien. Dat betekent dan 6.000 extra operaties, omdat een vaginale bevalling plaatsvindt in de verloskamer, maar een keizersnede voor bijna anderhalf uur beslag legt op de operatiekamer. Meer keizersnedes zullen in Nederland per jaar de levens redden van 30-40 baby's, die anders zouden zijn overleden tijdens complicaties van een vaginale bevalling. Een fantastisch resultaat. (Maar wel een reden te meer om te blijven hopen op minder centrale planning in de Nederlandsche gezondheidszorg, want waar moeten de vereiste 8.000 uren beslag op operatiekamers zo snel vandaan komen?)

Dit is nu een typisch voorbeeld van nuttige statistische research. Het artikel in The Lancet heeft geen pretentie om in groot detail te beschrijven wat precies gebeurt tijdens die laatste spannende minuten voor de geboorte. Er is – om zo te zeggen – geen model van het geboorteproces. Wat we leren komt uit de evaluatie van een grote dwarsdoorsnede van zwangere vrouwen met een stuitbevalling. Eén groep patiënten krijgt de ene behandeling, een even grote groep patiënten wordt op een andere manier geholpen. De kleine letters in het artikel beschrijven statistische procedures om te controleren of de cijfers voor sterfte of hersenbeschadiging bij de baby's zich inderdaad lenen voor vergelijking tussen de twee groepen moeders. Dáárover heeft prof. Heckman een aantal nieuwe statistische technieken ontwikkeld.

In mijn eigen vak, de economische politiek, heeft zich internationaal op grote schaal dezelfde verschuiving voorgedaan. Evaluaties van een dwarsdoorsnede – zoals in de medische research – worden belangrijker. Grote rekenmodellen spelen in de wetenschappelijke literatuur nog een kleine rol als het gaat om het controleren van theorieën op hun logische consistentie, maar hebben overigens plaats moeten maken voor de meer open attitude die al gold in de statistisch-medische research. Noteer de verschillende uitkomsten en trek een conclusie. Met behulp van dwarsdoorsnedes doen economen onderzoek naar de waarde van het onderwijs, de beste vorm van het grotestedenbeleid, of het belang van computers op scholen, om drie actuele thema's te noemen.

Voor het eerst is de evaluatie-methode nu ook toegepast voor het economisch belang van Schiphol, berekend op basis van ruim 200 verschillende regio's in Europa met of zonder vlieghaven. Geen hypothetisch rekenmodel meer met verzonnen veronderstellingen over effecten op banen, inkomens, en bestedingen, maar een agnostische aanpak met cijfers voor heel Europa. De 200 regio's groeien meer of minder snel, en dat kan wel een dozijn verschillende oorzaken hebben waarvan de aanwezigheid van een dynamisch vliegveld er een is. Laat dat dozijn oorzaken een eerlijke statistische race lopen en kijk of dan de factor `vliegveld' een van de belangrijke attributen blijkt te zijn van een succesvolle regio. Schiphol-president Gerlach Cerfontaine kende de dwarsdoorsnede-aanpak uit zijn vorige baan bij het ziekenhuis in Utrecht. Misschien heeft hij daarom tot nog toe steeds gezwegen over rekenmodellen en presenteerde hij afgelopen woensdag dit Europese onderzoek met vertrouwen aan minister Netelenbos. Eén miljoen extra passagiers op het vliegveld blijkt in Europa gemiddeld samen te gaan met 5.000-10.000 extra banen in de regio. Niet omdat een econoom uit de school van Tinbergen duizend vergelijkingen heeft opgeschreven waarin die uitkomst eigenlijk logischerwijs al wat verstopt, maar omdat een dwarsdoorsnede over heel Europa daarop uit lijkt te komen.

Bij het Centraal Planbureau moeten de rekenmeesters nog even slikken, want de trotse traditie van Tinbergen zet daar nog steeds de toon. Andere wetenschappers zijn vooral blij dat economen wat meer bescheidenheid tonen, niet meer alles in een model knutselen, maar – net als de dokters – onderzoeken of het evalueren van een steekproef leidt tot nuttig inzicht. Misschien had Tinbergen zelf wel graag gewerkt met dwarsdoorsneden als zulke cijfers toen al hadden bestaan. Intussen zijn er zoveel extra gegevens over landen, regio's en zelfs individuele inkomens dat de economische wetenschap extra vooruit kan met dwarsdoorsnede-vergelijkingen Een nieuwe bron van belangrijk inzicht, terecht gehonoreerd met de Nobelprijs van 2000.

    • Eduard J. Bomhoff