Wees voorzichtig...mijne jongen

Een jeugd in Aalst, een leven tussen de boeken en een obsessie met de werking van het menselijk lichaam. In zijn collages keert de Vlaamse `knutselaar' Patrick Van Caeckenbergh zichzelf binnenste buiten.

De Belgische kunstenaar Patrick Van Caeckenbergh lijkt op een eco-kabouter. Bovenop een groen jack en een groene broek staat een bol hoofd met guitige, bruine ogen en de blos op zijn gezicht doet even aan het jam-mannetje Flipje van Tiel denken. Zet hij het eenmaal op een praten, dan komen er verhalen over vroeger waar hij zelf nog het meest perplex van staat. En dan lacht hij niet de lach van een ijdeltuit die omwille van het beroemd worden zijn jeugd mythologiseert, nee, hij verbaast zich over wat ooit een ander jongetje lijkt te hebben meegemaakt.

Een vader en moeder in ploegendienst in de fabriek, de kleine Patrick alleen thuis, onder de tafel, in gezelschap van een achtdelige Winkler Prins-encyclopedie. ,,Ik was op school het enige kind dat een sleutel van zijn voordeur had'', zegt hij trots. Nog nooit was er een boek of een krant over de vloer gekomen, totdat een als boekenventer bijbeunende onderwijzer aan de deur had aangebeld, die de familie Van Caeckenbergh die acht rode banden in de maag splitste.

Omdat zijn ouders er geen raad mee wisten, belandde de encyclopedie tussen Patricks speelgoed. En zo werd er in een Vlaams kot een gordijn naar een onafzienbare horizon van plaatjes en feiten opengetrokken. Er was geen reden om ooit nog te reizen. Op school bij de jezuïeten had hij voornamelijk belangstelling voor de boeken over astronomie die de leraar Moraal, een vak voor kinderen van niet-gelovigen, hem aanbeval. Tot verdriet van zijn ouders, die hem zo graag, ver weg van de sterren, een carrière achter een bankloket toewensten.

Autobiografisch

De beelden en collages die Patrick Van Caeckenbergh (1960) sinds een jaar of vijftien maakt, en die de laatste tijd internationaal – onder meer in de Tate Gallery in Londen en de Biennale van Lyon – steeds meer succes oogsten, zijn stuk voor stuk terug te voeren naar die jeugd in Aalst en die eenmalige boekenaankoop. Dit beeldend werk is zo zonderling en kijkdicht, het kan niet anders of de maker moet zich als een monnik van het wel en wee van de wereld hebben afgezonderd. Het is net zo goed autobiografisch, maar ook weer niet, want ,,wat specifiek is, moet exotisch en universeel worden'', zoals de kunstenaar het formuleert.

Zijn tentoonstelling De Anatomische Les in het Kabinet Overholland, in het hart van het Stedelijk Museum in Amsterdam, onthult hoe ingenieus ,,de poëtische eenvoud van de doodgewone alledaagsheid'' zich naast sculpturen nu eens laat ordenen in een groot formaat-kaartspel van encyclopedische collages. Dwars over de horizontale en verticale banen van nauwelijks leesbare, handgeschreven teksten, keert Van Caeckenberg aan de hand van oude, medische illustraties, fotootjes en tijdschriftplaatjes zijn lijfelijk en geestelijk bestaan binnenste buiten.

Er heerst een systematische orde van woord, lijn en beeld. Elementen als een tong, een pan, een hand, een mestbal, een darm, een ovarium, keren vaker terug. Logica voor de kunstenaar, beeldschone algebra voor de alfa-toeschouwer die, gebiologeerd door beelden en verbanden, een leven moet leren lezen waarin het zintuiglijk genot van lekker eten zich nauw verhoudt tot de eeuwige kringloop van leven en sterven.

Wie bijvoorbeeld op zo'n collage links boven begint met een minuscule foto van een bilpartij, wandelt via eeuwenoud loofwerk en dunne lijnen en langs een ouderwets gelithografeerd maag-darm-kanaal verder, om ten slotte beneden bij de wortels van een boom aan te komen. Wortels, die klompen dragen en die door anonieme vlijtige handen en door een zelfportret van de schilder worden bewaakt.

Een volgende collage verbeeldt in scènetjes een zelfverzonnen sprookje over een buitenaards wezen, dat te voorschijn gekomen uit een kapotgevallen mini-meteoriet, liever meteen weer terugkruipt in zijn stenen schulp – èn het nabije ovarium –, maar die toch met een enkel gaatje nog in contact wil blijven met zijn nieuwe wereld. En dan is er nog een blad met een vleselijke tong, groter dan een T-bone steak, die als een kerstbal aan een boomtak bungelt, en tegelijkertijd ons met een bosuil-blik aankijkt. En vergeet dat zelfportret niet: een stokoud, glimlachend hoofd, omringd door tientallen fotootjes van de in kamerjas en dartelende poses aanwezige kunstenaar.

Als Van Caeckenbergh geraffineerd is, dan is het uitsluitend in zijn werk. Elke collage is een surrealistische rebus, een onderdeel van een weidse inventarisatie, die net zo ver van Aalst afstaat als een mestbal van het maanoppervlak. De chirurgische knip-en-plak-exercities doen door die antiquarische fragmenten en door de ordening – en ondanks hun absurdisme – vertrouwd aan, maar toch wil je precies weten welke systematische gedachtegang eraan ten grondslag ligt.

,,Als enig kind trok ik me altijd al graag terug in die wereld van metaforen. En dat doe ik nog steeds'', vertelt Van Caeckenbergh in Kabinet Overholland. ,,Thuis ben ik een kleine versie van de antiquarische boekhandel De Slegte. De ene mens praat graag met de ander, ik ben liever in gesprek met mijn boeken, over archeologie, architectuur, antropologie en de laatste tijd vooral neurologie en biologie. Dankzij de literatuur kan ik ook nog figuren uit Dostojevski met Paul Verlaine laten converseren. En dan voel ik me zeer op mijn gemak. Want voor datgene wat ik wil doen, moet ik binnen blijven. Mijn boeken zijn mijn schroevendraaiers.''

Zonderling

Van Caeckenbergh woont nu in de kloostertuin van een Vlaams dorp met een witte kerk en vijftig huizen. Veel dorpelingen komen straks per bus naar Kabinet Overholland. Ze houden van hun zonderling, die graag naar hen luistert, maar die zijn eigen verhaal niet ècht bij hen kwijt kan. Hij was voor het laatst in Amsterdam voor La Grande Parade (1985), het afscheid van Stedelijk-directeur Edy de Wilde. Nee, de tentoonstelling van Rob Birza, ingericht naast de zijne, heeft hij niet gezien. Als `vreemde eend' mijdt hij liever musea en kunstcircuits. Begrippen als `netwerken' en `zelfpromotie' zijn Sanskriet. Geef hem maar de Metamorfosen van Ovidius. En laat hem in het dorp af en toe maar wat praten met de kinderen en de oude mensen.

Dankzij de Antwerpse galerie Zeno-X die zijn zaken behartigt, gaat elke vorm van boekhouding aan hem voorbij. Daarom is er tijd om in de kloostertuin vogels te bespioneren. Blij is hij ook met de aquareldoos die hij voor zijn verjaardag kreeg, zo kan hij vleugels waterverven. Alleen een fotoalbum herinnert hem thuis aan wat hij ooit maakte. Ondanks het maandenlang bezig zijn met zijn collages, doet hij van alles gemakkelijk afstand. Maar de beelden en bladen moeten wel onder zijn handen worden weggehaald. ,,Iemand moet zeggen: `'t is tijd, Patrick'.'' Hij weet niet van ophouden.

,,Omdat mijn vrouw werkt, zorg ik als huisman voor onze twee dochters. Tussen half negen en half vier, als zij op school zijn, kan ik stilletjes nadenken, sudderen als een pot au feu van worteltjes en uien die geduldig dienen in te koken. Sudderen kunt ge alleen thuis. Dáár, in dat ene potje ligt het paradijs verborgen.

,,Elke morgen begin ik met het schematisch opschrijven van alles wat ik eerder heb gemaakt. Want zonder zo'n lijstje, zo'n stamboom van wortels en vertakkingen kan ik niet verder. Het ene werk is nu eenmaal de motor van het volgende. Respect voor mijn beelden of bladen heb ik niet. Ze verkeren in constante staat van beschuldiging. Zodra ze de deur uit zijn, krijgen ze pretenties, nemen ze in waarde toe en leiden ze een ander leven. Mijn vrouw wil dat ik nu eindelijk eens iets maak dat thuis blijft.

,,Thuis heerst orde. Ik weet een keurige tafel te dekken en ik weet dankzij mijn fotografisch geheugen blindelings in boeken en mapjes een foto van een schildpad of een schelp te vinden. Moest ik een ander beroep kiezen, dan werd ik kok. Nu al ben ik soms dagen bezig met het verwerken van een varken of het wecken van vuilniszakken vol spinazie, die ik van boeren uit de omgeving krijg.

,,Het liefst zou ik als een huisdier verder leven. Want mijn grootste ambitie is het koesteren van mijn eigen gedachten, zonder dat ik aan iemand anders hoef te denken. Mijn werk bestaat voor 95 procent uit denken, een bezigheid waar ik u niets zinnigs over kan zeggen. De resterende vijf procent ziet u hier op het papier staan. Vergelijk dat denken met censuur, maar vooral met eten en met de spijsvertering, een langdurig en onzichtbaar organisch proces, dat uiteindelijk niets meer dan een bolletje mest oplevert.

,,Paul Valéry heeft wel eens gezegd `Ik heb voor mezelf een innerlijk eiland gebouwd en ik verdoe mijn tijd met het beheersen en het versterken daarvan'. Ik stel ook alles in het werk om dat eiland in stand te houden. Op de ideale momenten in mijn leven spelen de gedachten met zichzelf, ontdaan van alle betekenissen. Ik bewonder On Kawara (een Japanse schilder, die op een grijze achtergrond alleen data in cijfers schildert – MV), omdat hij het handelen heeft geabstraheerd en ontdaan van elk belang. Het meest verwant voel ik me met de dadaïsten.

Lekker drinken

,,Ik ben geen intellectueel, en ik krijg ook nooit ideeën, zoals alle andere kunstenaars die blijkbaar wèl krijgen. Ik moet heel hard werken om mijn gedachten tevoorschijn te sleuren. Soms zou ik net als vroeger, toen ik nog op de academie zat, even naar Brussel willen reizen, lekker drinken en roddelen en dan om vier uur 's nachts thuis komen. Dat is de enige atmosfeer die ik af en toe mis.''

Na de vele gedaanten van het lijf in de recente fotografie, beelden en schilderkunst, en de diverse porno-varianten, is nu de zichtbare, inwendige mens aan de beurt. Met name het thema `spijsvertering' geniet populariteit. Alsof de recente ontwikkelingen op het gebied van de genetica en de `maakbare' gezondheid erom vragen dat lever, longen en lymfen, waarvan men tot voor kort toch niet al te veel wilde weten, tot de laatste vezel worden blootgelegd.

De Amerikaan Mike Kelley boog zich in grote tekeningen over de resultaten van darm- en anusactiviteiten, de Brit Art-leidsman Damien Hirst sneed dieren doormidden en zou het het liefst ook zijn zaag in een lijk zetten. De Belg Wim Delvoye vertelde een paar weken geleden in deze krant over zijn Cloaca, een transparante spijsverteringsmachine die elke dag in het MUHKA in Antwerpen een drol en veel stank fabriceert, mits er geen constipatie optreedt. In de Londense Hayward Gallery is net de grote tentoonstelling Spectacular Bodies geopend, lichamelijke doorkijkjes, vormgegeven vanaf de 16de eeuw. Voer voor patholoog-anatomen, waarvoor de `gewone' bezoeker van de Hayward, aldus Britse kranten, een sterke maag nodig heeft.

Aan Patrick Van Caeckenbergh gaat zo'n hype voorbij. Hij verdiept zich al zo'n vijftien jaar in die inwendige verwerkingsfabriek, een complex dat verder reikt dan de spijsvertering en dat net zo goed een kartonnen meccano-bouwplaat van de menselijke hersenen omvat of de collage van een feilloos geknipt, labyrintisch netwerk, dat voor het menselijke bloedvatenstelsel staat.

En dat hij zich daar binnen met uiterst curieuze gedachtespinsels bezighoudt, blijkt ook uit de tweede serie in Kabinet Overholland, het Herbarium: boomwortels als menselijke onderlijven, die boven de grond pronken met hun barokke loof.

Niks wortels: elke boom staat voor een engel, en die engel staat weer voor een vogel, en die vogel staat weer voor het onderzoek naar het ornithologisch oriëntatievermogen, waaruit blijkt dat vogels die in een donker doosje opgroeien, 's winters hoe dan ook naar het zuiden trekken.

Als Van Caeckenbergh gevraagd wordt naar die anatomische en biologische obsessies, maakt hij opnieuw een pas op de plaats in de huiskamer van zijn ouders. ,,Ik ben geen kunstenaar, maar een knutselaar, net als mijn vader. Een knutselaar met een grote inventaris, om alles op elk moment binnen handbereik te hebben. Als we buiten liepen keek mijn vader altijd naar de grond en dan vond hij weer wat, een spijkertje bijvoorbeeld dat al naar gelang de lengte in een speciaal boterpotje werd bewaard. Als mijn moeder hem vroeg om een plankje voor de telefoon te maken, bleef hij vijf, tien minuten geconcentreerd naar die ene plek in de kamer staan kijken. Als hij terugkwam uit zijn knutselhok had hij tussen al zijn spullen precies op lengte dat ene plankje gevonden.''

Herinneringen

,,Net als mijn vader weet ik na lang denken ook precies wat ik wil maken. U kunt die bladen wel esthetisch vinden, maar bij esthetiek heb ik nog nooit stilgestaan. Iets in mij weet na lang beraad dat een plaatje van een hand of een kookpan alleen maar op die ene plek thuishoort. Vaak ga ik te rade in de herinneringen. Van mijn ouderlijk huis is me geen detail ontgaan. De omslagbladen van de serie De Anatomische Les zijn in keukengroen geschilderd, dezelfde kleur waarvan mijn vader een onuitputtelijke verfvoorraad had. En de titel `Wees voorzichtig....mijne jongen' verwijst natuurlijk naar mijn moeder.''

Van Caeckenbergh heeft zich al vroeg ingegraven in dat panorama van zijn pot au feu. In 1988 al bouwde hij een schoorsteenachtige hoed, open te klappen als een voorname, ouderwetse hutkoffer. Daarin zitten zo'n achthonderd, gevulde laadjes verborgen, `kamers met kennis', zoals hij zelf zegt, om bij alle overdaad aan informatie een leeg hoofd te kunnen behouden. Alsof zijn complete existentie – wat zeg ik, het hele universum – zich in een iets hogere dan een hoge hoed laat archiveren.

Eenmaal zó gemutst, kunnen vrijheid en verbeelding uitdijen. En zo kan hij ook stilstaan bij zijn kleinschalige observeringen: een zinsnede uit een boek, een plaatje, maar ook een bouillonblokje waarvan de concentratie nauw met zijn functioneren samenhangt. Ze voeren hem op een van zijn collages mee naar de opname van een grenzeloos heelal, dat in toom wordt gehouden door een rondedans van uitgeknipte speelgoedaapjes. De mensheid, zo lijkt het, die generatie op generatie, net als de planten in de Vlaamse Ardennen, opbloeit en sterft, om in datzelfde heelal ruimte te maken voor een volgende, identieke rondedans van identieke soortgenoten met hun identieke besognes.

Het feit dat zijn vader al die gevonden spijkers destijds in boterpotjes bewaarde en dat hij zelf als huisman vaak weckflessen gebruikt, leidde naar de sculptuur van een paard, gecomponeerd uit een kleurrijke stapeling volle groentepotten van Hak, maar dan zonder etiket. En de ontdekking in een winkel voor kunstenaarsbenodigdheden dat er wat verf betreft maar één `huidskleur' bestaat, een blanke, zachtroze tint, bracht hem ertoe om duizenden stroken huid uit tijdschriften en pornobladen te knippen. Ze kwamen zowel in een installatie terecht als in zijn nu tentoongestelde collages. Rechthoekig `inlegwerk' – van gelig roze naar zacht bruin – dat eerder aan een virtuoze verfmengtechniek dan aan porno doet denken.

,,Vroeger was ik bang om niet begrepen te worden. Elk beeld dat tentoongesteld werd moest ik toelichten met wanden vol teksten en foto's. Totdat er een academie-leraar op een dag tegen me zei: `Patrick, ge weet toch dat elk werk voor zichzelf moet spreken'. Toen ben ik er maar mee opgehouden. Wat u ziet is simpelweg de mythologie van het alledaagse. Ik leef geïsoleerd, maar door de kinderen sta ik wel degelijk in de realiteit. Ja, ik weet dat er parallellen zijn met het werk van Thierry de Cordier. Wij spreken elkaar overigens nooit. En nee, ons werk is niet typisch Belgisch. Ik huiver bij die typering, omdat ik weet dat ik er in mijn diepste wezen nooit mee bezig ben. Typisch Belgisch zijn frites, mosselen en mayonaise.''

`De Anatomische Les' van Patrick Van Caeckenbergh. Tot 26/11 in Kabinet Overholland, Stedelijk Museum, Amsterdam. Geopend: ma t/m zo 11-17 uur.