Wat was er over van alle glorie?

Haar verblijf op de Molukken was cruciaal voor het schrijverschap van Maria Dermoût, schrijfster van onder meer De tienduizend dingen. Voorpublicatie uit de biografie `Geheim Indië. Het leven van Maria Dermoût (1888-1962)', geschreven door NRC Handelsblad-medewerker Kester Freriks.

Dankzij de weken- en soms maandenlange afwezigheid van haar man, de veelvuldig reizende rechter van de landraad mr. Isaac Dermoût, heeft het schrijverschap van Maria Dermoût zich in de Molukken kunnen vormen. Ze las wat binnen handbereik kwam, maakte aanzetten tot verhalen en verdiepte zich in de religieuze en culturele geschiedenis van het eilandenrijk. In Ambon was een goede bibliotheek. Bovendien bracht de mailboot boeken mee en tijdschriften uit Nederland, Batavia en Soerabaja.

In sociëteit De Eendracht op Ambon zette zij zich in voor toneel en verzorgde pianomuziek. Ze begeleidde op de piano verdienstelijk een violist. Al spoedig werd hij tot haar teleurstelling overgeplaatst, zodat aan de gezamenlijke uitvoeringen een einde kwam. Nederlandse oorlogsschepen die aankwamen werden met mariniersmuziek ontvangen, vaak waren er muzikanten aan boord. Maar ook zij vertrokken weer. Maria Dermoût betoonde in een brief op 25 november 1911 haar spijt: `Er ligt hier n.l. een oorlogsboot met verscheidene muzikale krachten en hebben we nu telkens muziekbijeenkomsten en daar laat ik alles voor in de steek. 't Is zoo zelden vooral hier in Ambon dat er gelegenheid is weer iets goeds te hooren. Heel Ambon is zowat overgeplaatst. Je leert hier wel je niet te veel te hechten.'

Maria Dermoût bereidde een toneelstuk voor, zoals ze op 12 december 1912 berichtte haar tante Anthonia in Hilversum: `Dan zijn wij drieën dames juff Tobias, mevr. Bouman en ik bezig een soort comedietje in elkaar te zetten over de toestanden en gebeurtenissen alles op rijm we zullen 't Oudejaarsavond opvoeren, 't feest van de resident en hoop ik maar 't succes zal hebben want 't is nog een heel werk er wordt wat muziek gemaakt en een dans opgevoerd door de jonge meisjes dat breekt de avond dan alweer. De kinderen zijn best, hoewel 't een ongezonde tijd is die abnormale hitte en daardoor die erge stof iedereen zegt 't een ongekende hitte is, alleen de avonden koelen heerlijk af en vooral nu 't tegen volle maan loopt, genieten we dubbel van 't uurtje na 't eten, als we ieder met een glas ijswater in de voorgalerij van de koelte genieten, alleen de Chineesche lantaarn aan, 't is dan zoo stil en vredig en alles lijkt zoo mooi in 't maanlicht.'

Op een foto van de `comedie' staat een buitenissig gekostumeerd gezelschap, bestaande uit een pierrot, scheepskapitein en een vrouw met Chinese parasol. Maria Dermoût droeg bij de uitvoering een lang, wit gewaad. Een in smoking gestoken jongeman maakt een uitnodigend gebaar naar haar, als een huwelijksaanzoek. Ook uitten zich op Ambon de eerste tekenen, afgezien van de talrijke brieven, van haar schrijverschap. Tussen 1910 en 1912 schreef Maria Dermoût vier `Kleine Impressies' van de Molukken. Zij stuurde de verhalen naar dagblad Het Vaderland in 's-Gravenhage. Geen slechte keuze, de hofstad is vanouds de stad waar gerepatrieerde Indiëgangers zich vestigden. De eerste drie impressies verschenen in de zondagbijlage van 18 juli 1915. Het zijn `De Zeetuinen', `'t Perk' en `Nachtelijke vischvangst'; de derde, `Sprookjes vertellen', werd gepubliceerd op zondag 25 augustus. Zij ondertekende met het pseudoniem M.E. Ingmarsen. De initialen staan voor haar voornamen Maria Elisabeth. Ingmarsen moet een verbastering zijn van haar meisjesnaam.

`Impressie' is een bescheiden aanduiding voor deze verhalen, waarin haar thematiek, zij het terughoudend, uitdrukking vindt. Louis Couperus, die ook voor Het Vaderland schreef, noemde zijn bijdragen eveneens impressies. Naast de ondertekening aan het slot van de verhalen staat de vermelding `Uit de Molukken'. Maria Dermoût kende de krant, zowel uit de leestrommel in Indië als tijdens haar verlof in Nederland.

`Sprookjes vertellen' begint als volgt: `Daarginds, ver weg in 't groote donkere bosch op de bergen woont de Tanah-Loehoe. De Tanah-Loehoe is gekleed als een inlandsch jong meisje van hooge huize, de wit met rood of blauw geweven rokkie-plooi, lange witte kabaai, witte kousen en schoenen en een smal kransje geurende witte melatti in 't haar - maar wee dengene die de Tanah-Loehoe ziet, 't witte meisje in 't donkere bosch, want nooit weer zal hij terugkeren tot de zijnen, nooit weer zal iemand hem terugzien of van hem horen. Eens in 't jaar komt de Tanah-Loehoe uit haar bosch te voorschijn en zij daalt de bergen af en gaat naar 't stadje aan de baai om haar slachtoffer te zoeken, dat moet zijn een blonde man en zoo ze hem niet mee kan lokken naar haar bosch in de bergen, verwart ze zijn verstand. De Tanah-Loehoe is de ziel van een prinses...'

In dit verhaal, evenals in `'t Perk', is de stem van de latere Maria Dermoût aanwezig, zeker in de sprookjesachtig-verstilde stijl en de bijna achteloze wijze van schrijven over gewelddadigheden. Zij maakt welbewust gebruik van contrasten; bij haar is lieflijk nooit alleen lieflijk. In `Sprookjes vertellen' schuilt achter de schone gedaante van de Tanah-Loehoe de wraakzuchtige ziel van de prinses. Onder de zoom van haar `rokkie-plooi' komt, behalve een witte schoen, `een paardehoef' te voorschijn.

De volgende passage is uit `'t Perk': `Links en rechts van den weg staan pallaboomen met hun kroon van kleine gave glimmende blaadjes, waartusschen hier en daar een overrijpe gelige vrucht hangt, sommige zijn opengebarsten, heel gelijkmatig, of er met een mes in gesneden is. En als we weer weg zijn, hangt nog de prikkelende zoete en toch bittere lucht tusschen de boomen.' Een barst in een rijpe vrucht als de kerf van een mes, een lucht die bitterzoet is: schrijfster E.M. Ingmarsen heeft weet van de wrede zijde van het goede.

De Molukken hebben bij Maria Dermoût een diepe indruk achtergelaten, hoewel ze in haar brieven weleens de indruk wekt er niet echt gelukkig te zijn geweest. Later, terug in Nederland, heeft ze pas ontdekt van welk belang de tijd op Ambon is geweest. Voor haar literaire instelling en zienswijze zijn de Molukken van doorslaggevende betekenis. Haar roman De tienduizend dingen (1955) en een groot aantal verhalen spelen zich hier af; in brieven en dagboek verwijst ze veelvuldig naar haar tijd op Ambon.

In 1953 schreef zij aan haar uitgeefster Alice von Eugen van Querido's Uitgeverij als antwoord op de vraag wat de Molukken toch voor haar vertegenwoordigden: `Wanneer ik over het toen en daar schrijf is het niet vertederd, een betreurend omzien (ik geloof niet dat wij zo om mogen zien), ook niet dat ik het nu en hier niet meeleef - mee lijd is het helaas veelal - maar omdat ik zo duidelijk voor mij zie, dat wonderlijke samenweefsel van een bepaalde tijd, een land, de mensen die erbij hoorden, landschappen, dieren, dingen, gebeurtenissen, verhalen er doorheen gevlochten.

`De verhalen vooral ook, want ik heb het grote voorrecht gehad, dat er altijd levende vertellers, vertelsters in mijn leven waren, om van boeken te zwijgen. Ik denk aan een, de naaister Louisa op Ambon, die vertelde over de koralen boom van de zee met de kreeft eronder; de slang met de karbonkelsteen, dat moet ik toch nog opschrijven...'

Dit verhaal over de slang met de karbonkelsteen heeft zij inderdaad opgeschreven in De tienduizend dingen. Opmerkelijk is dat Maria Dermoût zich in haar brief op voorhand verzet tegen de gedachte dat zij uit heimwee naar Indië haar inspiratie putte; zij wilde nooit voldoen aan het stempel een schrijfster te zijn van `heimweeliteratuur'.

Een nieuwe vriendschap droeg bij tot Maria Dermoûts literaire ontwikkeling. Haar thematiek verdiepte zich, haar gedachten over `mens en dingen en landschappen als een samenweefsel' zijn in deze beslissende jaren gevormd. Aan de Esplanade vlak bij de buitenbaai lag Hotel van Aart of voorheen Hotel Esplanade. Hier maakte Maria Dermoût in 1912 kennis met een vrouw van rond de vijfenvijftig, naar uiterlijk te oordelen op overgeleverde foto's zeer Indisch. Zij was de eigenaresse van het hotel, weduwe Carolina van Aart-Overdijk. Mevrouw van Aart bezat een verzameling zeldzame gebruiksvoorwerpen, zoals sieraden van Hollandse vrouwen uit de zeventiende en achttiende eeuw, oorhangers, ringen en een in die tijd beroemde collectie oud-Chinees porselein. Maria Dermoût deelde dezelfde belangstelling. Ongetwijfeld is hun kennismaking hiervan het gevolg.

Ook behoorde een buitengoed aan de overkant van de baai tot haar eigendom, door Maria Dermoût in De tienduizend dingen beschreven. Het heette, in verschillende Maleise meervoudsvormen, `katé-katé', `katie-katie' of `kati-kati', dat `klein' betekent. In De tienduizend dingen noemt Maria Dermoût het buiten `de tuin van Kleyntjes'. Carolina van Aart heet bij haar `Mevrouw van Kleyntjes', haar bijnaam. Haar voornaam is Felicia, dat `Gelukkig' betekent.

De `katé-katé' zelf, gelegen aan de binnenbaai, was een lage, ruim gebouwde woning met witte muren en een schuin oplopend, zinken dak. Een weelderig begroeid Hollands perkeniershuis. Rondom liep een gaanderij. Twee vierkante zuilen, elk bekroond door een bol, markeerden de hoofdingang. Het houtwerk van deurposten en raamkozijnen was in turkoois geverfd. De slaapkamers hadden groene jaloezievensters. Zwembad in de tuin. Een fontein in de vorm van een waterspuwende man. In de keuken waren, boven een groot granieten aanrecht, Delfts blauwe tegels gemetseld. De luchtvensters boven de ramen en deuren toonden versieringen van smeedijzer. Het meubilair was afkomstig uit de tijd van de Compagnie.

We lezen erover in De Nederlandsche oudheden in de Molukken: `Het voornaamste landhuis van den tegenwoordigen tijd is wel het buitenverblijf Katie-Katie aan de overzijde der stad gelegen. Met zijn fontein, verandahs en terassen gelegen in de koele schaduw van dichte bosschen, die zich weerspiegelen in het heldere nat van de Binnenbaai, is dit landhuis inderdaad van ongemeene bekoring. Maar het is niet alleen vermaard om den mooien aanleg en idyllische plekjes, maar ook in de eerste plaats om de fraaie collecties Oud Chineesch porselein, oude meubelen en koperwerk, die het herbergt.'

De tuin liep glooiend af naar de binnenbaai met steiger. Hier hing, van ver voor Maria Dermoûts tijd, een slavenbel die werd geluid als er bezoekers met de prauw kwamen. Haar oudste zoon Cornelis stuurde mevrouw van Aart bijna iedere dag met de prauw naar het landgoed aan de overzijde. Hij kwam terug met melk, eieren, boter, groente, fruit. De `katé-katé' beschikte over groentenbedden en een kleine veestapel. `Iedereen wist hoe zij eruitzag: klein van stuk en gedrongen,' schrijft Maria Dermoût in De tienduizend dingen over mevrouw van Kleyntjes, `in haar batiksarong en een eenvoudige witkatoenen kabaai, met een klein kriebelkantje of helemaal zonder een kantje, geen mooie kabajaspelden, met veiligheidsspelden gesloten; op blote voeten in stevige leren sandalen; bruingebrand, vol zomersproeten en zonneplekjes, altijd blootshoofds, met springerig grijzend haar.'

Het ging slecht met de perkeniers in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het alleenrecht van het Gouvernement drukte zwaar. Zij werden ziek en stierven op de Molukken of ze vertrokken naar elders. De huizen raakten in verval - een verval dat Maria Dermoût beschrijft in De tienduizend dingen: `Van de huizen stond er niet een meer in zijn geheel overeind; zij waren ingestort bij een aardbeving, en daarna opgeruimd; er was nog wel eens een stuk oud huis blijven staan: een vleugel, een kamer alleen, daar werd dan later weer tegenaan gebouwd, een paar armoedige vertrekken meestal. Wat was er over van alle glorie?'

In de tijd dat Maria Dermoût haar ontmoette, was mevrouw van Aart ruim tien jaar weduwe. 's Avonds, na het werk in het hotel, zat ze op de galerij van haar huis in de schommelstoel, zacht heen en weer wiegend, de ogen vaak gesloten. Niet alleen de dood van haar man tekende het leven van mevrouw van Aart, zij rouwde vooral om het verlies van haar oudste zoon Cornelis die in 1908 op achttienjarige leeftijd sneuvelde tijdens een expeditie op Ceram. Op 23 juli 1907 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij het Wapen der Infanterie van het Koninklijke Nederlandsch-Indische Leger. Hij klom op tot eerste luitenant. Het archief van de officieren die tussen 1813 en 1941 voor de KNIL dienden, vermeldt dat eerste luitenant Cornelis van Aart op 8 juni 1908 te Silehata bij de samenvloeiing van de rivieren Sapoelewa en Simak is getroffen door een vergiftigde pijl van de berg-Alfoeren. Diezelfde dag is hij bij het gehucht Noesawela op Oost-Ceram aan de `door den vijand bekomen wonden overleden'. Maria Dermoût is er de schrijfster niet naar haar boeken te voorzien van een datering noch van al te letterlijk geografische aanduidingen. Zo staat nergens in De tienduizend dingen dat de stad aan de buitenbaai Ambon heet, zelfs de naam van het eiland ontbreekt. In de openingszin vermeldt ze slechts: `Op het eiland in de Molukken.'

Felicia, mevrouw van Kleyntjes, heeft een zoontje Himpies, de verbastering van Willem via Wimpie want de inlanders kunnen de `W' niet uitspreken. Haar zoon sterft in Maria Dermoûts boek op dezelfde wijze en op gelijke leeftijd als Cornelis van Aart in werkelijkheid: beiden worden vanuit een hinderlaag in de blote hals geraakt door een giftige pijl uit de koker van een Bergalfoer. Maria Dermoût brengt Cornelis met haar boek eerbetoon: De tienduizend dingen is een herdenkingsboek over verlies en gemis, een memento mori, gewijd aan de zoon van mevrouw van Aart en Felicia's zoon.

Het rouwbetoon reikt nog verder: in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog stierf Maria Dermoûts enige zoon Hans in het Japanse interneringskamp Belawan op Oost-Sumatra. Getuigenissen - brieven, het dagboek - geven aan dat ze in haar boek, als een requiem, ook hem gedenkt. Een van de nog levende rituelen waarmee Maria Dermoût kennismaakte op de Molukken waren de klaagzangen voor de pas gestorvenen. Die klaagzangen geven een opsomming van iemands leven. In De tienduizend dingen schrijft Maria Dermoût daarover uitvoerig: `En soms, heel soms, de oude heidense klaagzang (pas op! dat de schoolmeester het niet hoort) bij een die zo juist gestorven is. De `honderd dingen`, zo heette de klaagzang - de honderd dingen waaraan de dode herinnerd wordt, die hem gevraagd, gezegd worden.

`Niet alleen de mensen in zijn leven: dat meisje, die vrouw, en die, dit kind, dat kind, je vader, je moeder, een broer, of zuster, de grootouders, een kleinkind, een vriend, een wapenbroeder; of zijn bezittingen: je mooie huis, de porseleinen bordjes op de zoldering verstopt, de vlugge prauw, je scherpe mes, het ingelegde handschildje uit vroeger tijd, de twee zilveren ringetjes aan je rechterhand, aan wijsvinger en duim, de tamme bosduif, je slimme zwarte loeri; maar ook: hoor hoe de wind waait! - hoe witgekuifd komen de golven aangesneld uit volle zee! - de vissen springen op uit het water, en spelen met elkaar - kijk hoe de schelpen glanzend liggen op de stranden - denk aan de koralen tuinen onder water, en hoe zij gekleurd zijn - en de baai!'

Maria Dermoûts op het eerste gezicht zo open schrijfstijl weerspiegelt haar werkwijze. Haar hele leven, dus ook in de jaren 1910-1914 op Ambon, maakte ze aantekeningen en schetsen op losse velletjes papier, op kladblaadjes, rondslingerende enveloppen en in schriften. Hieruit zijn later de prozaverhalen ontstaan. Ze bewaarde alles in dozen. Het is zeker dat ze in de Molukken al aan De tienduizend dingen begon; ze herschreef, ordende en rangschikte eindeloos. Bracht in de aanvankelijk losse vertellingen groter samenhang aan. Ze putte uit de geschiedenissen die zij om zich heen hoorde, verteld door haar bedienden, Louisa de naaister en mevrouw van Aart. Van haar man vernam zij over de wrede moordzaken op de eilanden. Een personage als Felicia van Kleyntjes is een van de vele sterke vrouwen uit haar oeuvre: niet bang zijn voor het kwaad maar trots tonen. Slechtheid en kwaad accepteren als noodzaak. Voor Maria Dermoût liggen literaire thematiek en het zoeken naar de juiste levenshouding dicht bij elkaar.

`Geheim Indië. Het leven van Maria Dermoût (1888-1962)'. Uitg. Querido, 355 blz.

Prijs ƒ 65,-. Verschijnt 9 november.

    • Kester Freriks