Uitzinnig alles verslindend

`Ik noem dit: ``Ode aan een Trainee Manager', zo begint The Keepers of Truth van Michael Collins. En vervolgens komt er, verrassend abrupt, een vlammende socio-politieke tirade over de teloorgang van het glorieuze industriële verleden van het stadje waar de ik-figuur woont, ergens in de Amerikaanse midwest. `Vroeger jeukten onze handen om dingen te maken. Fabrieken waren onze kathedralen, omhooggeduwd uit de Great Plains.' Auto's, plaatstaal, ijskasten, wasmachines, mobile homes, bruggen, wolkenkrabbers werden er gefabriceerd. Nooit hadden de arbeiders gedacht dat het perpetuum mobile van het productieproces tot stilstand zou komen. Maar nu wonen ze in een stad van trainee managers: `Oh, happy are ye that inherit the deep-fat fryer!'

Pas na een bladzijde of drie wordt duidelijk wat we hier eigenlijk aan het lezen zijn: `Ode to a Trainee Manager' is een artikel; de ik-figuur, Bill, is een journalist in het vervallen industriestadje, ergens eind jaren 70. Bill is sinds een jaar verslaggever bij de Daily Truth, de plaatselijke krant, maar zijn twee collega's kunnen zijn filosofische diatribes niet echt waarderen. Ed, de fotograaf van de krant, heeft voortdurend last van opspelend maagzuur en Sam, de hoofdredacteur, maakt zich zorgen over de concurrentie van het lokale televisiestation. Beiden hopen eigenlijk vooral dat ze op een waardige wijze hun pensioen nog kunnen halen, voordat de krant over de kop gaat. Dus schrijft Bill over plaatselijke sporthelden, liefdadigheidsevenementen en middeltjes tegen muggen.

Eén telefoontje van het politiebureau verandert dit alles. De vader van plaatselijke bad boy Ronny Lawton wordt vermist. Vermoord, denkt de politie, en vermoedelijk door Ronny zelf. Bill, eerst ongeïnteresseerd, vindt wat informatie over de familie: een zoon kwam om in de Vietnamoorlog en moeder Lawton is precies een jaar geleden overleden. Met een oude foto van Ronny, bewerkt tot hij eruit ziet als een `dark-faced patricidal killer', begint zijn artikel al aardig op een Amerikaanse Tragedie te lijken: `You know, sometimes you step back from your own creations, and you know you've gone deep into something, you know you are roaming around in the collective nightmare of our existence.' Eindelijk heeft hij het verhaal waar hij zijn ideeën in kwijt kan, de nationale media pikken het op en zijn redacteur ziet weer wat hoop gloren voor de krant. Dat Ronny Lawton, white trash onruststoker, ondertussen heftig blijft ontkennen kan niemand echt veel schelen.

Michael Collins (1964) is van geboorte Iers, maar zijn derde, voor de Booker Prize genomineerde roman The Keepers of Truth is een door en door Amerikaans boek. Collins, die ook nog twee verhalenbundels schreef, verhuisde in 1978 met zijn familie naar de Amerikaanse midwest, en weet de sfeer van een op sterven na dood industriestadje in de `Dust Belt' aan het eind van de jaren '70 scherp te treffen. En in Bill heeft hij een virtuoze verteller gevonden, die het verslag van zijn speurtocht naar de waarheid doorspekt met hilarische, vlijmscherpe en lichtgestoorde tirades over de nationale malaise, het verdwijnen van de vakbonden, de opkomst van de 24-uurs economie, of Rocky als `een ironische representatie van megalomane persoonlijke groei' – alles wat Amerika tot een apolitieke staat heeft gemaakt.

Wanneer er een met de tuinschaar afgeknipt stuk vinger van Lawton senior wordt gevonden, ziet Bill daarin een connectie met `de vliegende brokstukken van ons industrialisme', corporate downsizing, ontmantelde industrieën, het uiteenrijten van de collectieve voorzieningen en deregulering: `Something is dead out there, something far greater than Ronny Lawtons father'.

Helaas zijn de krantenlezers meer geïnteresseerd in de brokstukken van Lawton senior.

Ondertussen is er nog steeds geen bewijs gevonden tegen Ronny, die terugkeert naar zijn baantje in een wegrestaurant, en daar een soort plaatselijke attractie wordt. Er komen zoveel tieners langs om te griezelen, en de winst schiet zo omhoog, dat Ronny zelfs Employee of the Month wordt gemaakt. Maar Bill laat zich zijn verhaal niet zomaar ontglippen, gaat op onderzoek uit bij Ronny's ex-vrouw die met haar baby in een trailer aan de rand van de stad woont, en raakt dan tot over zijn oren bij de zaak betrokken.

Collins weet aan de kleinste details in The Keepers of Truth nog betekenis te geven. Het zwembad waarin Bill steeds zo lang mogelijk onder water probeert te blijven, de koude winters en droge zomers van de midwest, de nederlaag van het plaatselijke football team, alles wordt op een razend knappe manier in een groter verband gezet. Bill ziet zelfs een visioen van de toekomst in het nieuwe spelletje PacMan: `dit vraatzuchtige hoofd dat zijn mond opende en sloot, de consument van alles, racend door een doolhof, uitzinnig alles verslindend.'

Hoewel Collins dus een uitgesproken politieke schrijver is, dwingt hij zijn lezers geen manifest op. De geestige deconstructivistische analyses en verhitte betogen die hij Bill laat uitspreken, vormen het expliciete, tragikomische commentaar op een teloorgang die al evident is in Collins effectieve beschrijving van de personages. The Keepers of Truth is in alle mogelijke opzichten – politiek, sociaal, historisch – een meeslepende misdaadroman, een whodunnit waarin de vraag naar de schuldige al lang achterhaald is: `Wie vermoordde Ronny Lawtons vader? Je zou net zo goed kunnen vragen door welke specifieke gebeurtenis onze fabrieken sloten, welke specifieke gebeurtenis onze stad vermoordde.' The Keepers of Truth is de Booker Prize zonder meer waard.

Michael Collins: The Keepers of Truth.

Phoenix House, 297 blz. ƒ39,95