Twee levens leven

Anders dan haar twee vorige verhalenbundels (Maalstroom uit 1992 en Vrouwvreemd uit 1994) noemt Ellen Ombre haar recent verschenen derde verzameling verhalen een themabundel. Alle acht verhalen, hoe verschillend ook wat betreft personages, sfeer en plaats van handeling, spitsen zich inderdaad toe op één thema: gespletenheid. Alles draait om mensen die om wat voor reden dan ook in twee werelden leven.

Niet altijd hoeven die uiteenlopende werelden letterlijk te worden genomen in de zin van landen of culturen, de verscheurdheid kan zich ook louter en alleen in iemands hoofd afspelen. In het verhaal `Bandeloze liefde' bijvoorbeeld, verzucht een Gambiaanse jongen die zich in zijn eigen land als gigolo aanbiedt aan Nederlandse toeristes dat een deel van hem in vertwijfeling en vernedering leeft, terwijl hij met het andere deel kan doen of er niets aan de hand is.

Zo'n permanente identiteitscrisis ligt niet alleen op de loer bij mensen die door emigratie of (neo)koloniale verhoudingen moeten schipperen tussen twee culturen, ze kan iedere van zichzelf vervreemde persoon treffen. Maar Ellen Ombre (1948) heeft met haar Surinaamse achtergrond een scherp oog ontwikkeld voor de culturele en etnische oorzaken van identiteitsverlies en dat buit ze van oudsher in haar verhalen uit. In een glasheldere stijl schrijft ze over een diffuus en moeilijk te definiëren begrip als identiteit, waar al haar personages op een verschillende manier mee worstelen, waar ze ook vandaan komen, wie ze ook zijn.

In Valse verlangens zijn het in zeven van de acht verhalen in Suriname geboren hoofdpersonen die hun geluk al dan niet tijdelijk in Nederland hebben gezocht. Behalve ontheemd en onthecht, zijn ze stuk voor stuk verzeild geraakt in ongelijkwaardige relaties of storen zij zich aan ongelijkheid (vaak in de vorm van seksuele exploitatie) in hun directe omgeving.

In het eerste en veruit langste verhaal, `Opname in dossier gevonden', wordt de uit Suriname afkomstige ex-delinquent Marvin slachtoffer van de valse verlangens van een blanke vrouwelijke reclasseringsbeamte, die op een suspecte manier dol is op zwarte mannen en graag een zwart kind wil. Door Marvin te verleiden roept ze bij hem verlangens op die eveneens vals zijn, omdat ze nooit bevredigd kunnen worden: hij weet dat hij wordt misbruikt. Als het beeldige zwarte kindje eenmaal geboren is, wordt de vader uit het luxe grachtenpand gegooid waar hij ruim een jaar heeft dienstgedaan als huissloof en minnaar.

Een beetje karikaturaal is het verhaal wel, vooral door de zwaar aangezette omdraaiing van traditionele man-vrouw verhoudingen. Ook dringt zich wat al te nadrukkelijk de vergelijking op met de vaak als negatief ervaren Caraïbische traditie, waarin veel kinderen het zonder een vader moeten stellen. Zelf is Marvin vaderloos opgevoed, omdat zijn verwekker zich na de liefdesdaad uit de voeten heeft gemaakt.

Ombre gebruikt de bizarre situatie waarin Marvin terecht komt, om te laten zien hoe hij, als gevolg van zijn achtergrond en kleur, wordt gediscrimineerd en vernederd. Niet alleen de moeder van zijn kind maakt zich hieraan schuldig, het is ook haar gearriveerde rijke familie die hem voortdurend duidelijk maakt dat hij in hun kringen niet thuishoort. Het krenkendst is dat hij niet onmiddellijk doorziet welk spelletje er met hem wordt gespeeld.

Natuurlijk komt de vraag aan de orde wat zijn `zelf' voorstelt. `Ik was voorbestemd iets te zijn, maar ik ben niets. Ik twijfel aan alles, heb mijn kind, mijn enige prestatie, aan haar overgelaten', jammert hij. Verbitterd ziet hij in zichzelf zijn eigen moeder weerspiegeld. Zij vertrok al vroeg naar Nederland, Marvin overlatend aan een grootmoeder in Burnside, Suriname. Altijd heeft hij zijn moeder veracht wegens haar dubbelleven: `Afro-Surinamer of benepen Hollands, naar gelang de omstandigheden.' En nu moet hij onder ogen zien dat hij in een zelfde val is getrapt als zij. Hij heeft zijn oude identiteit afgelegd, zonder dat er iets voor in de plaats kwam. Het gevoel van ontheemding slaat dan ook genadeloos toe. `Was ik maar thuis, huilde ik, waar ik in elk huis iemand kende, van gezicht, van naam, van afkomst, van achtergrond, van schande en succes, en van geloof, Burnside!' Het is een treurige geschiedenis, maar toch roept het verhaal weinig emotie op. Daarvoor heeft het te veel weg van een een statement, een als fictie verpakt essay.

Literair sterker zijn de verhalen waarin de enigszins afstandelijke schrijfster een min of meer op haar zelf gelijkend personage opvoert. Niet dat zulke verhalen letterlijk autobiografisch zijn – daarvan lijkt Ombre te gruwen –, maar ze hebben een persoonlijker toon en een grilliger verloop dan de gefictionaliseerde essayistiek, die bijvoorbeeld ook het verhaal `Een geest in de ether' over corrupte Surinamers kenmerkt.

Het meest verrassend is het in de ik-vorm geschreven verhaal `Mantelzorg' over een in Suriname opgegroeide 32-jarige vrouw die met haar ouders in Lelystad woont. Net als Marvin heeft zij last van de innerlijke verscheurdheid die emigratie nu eenmaal vaak met zich meebrengt. Ze leeft `twee afzonderlijke levens', het ene vluchtig in het heden, het andere `in een verleden met een verscheidenheid van geesten en nestgeur, (...) waar ik elk huis in de buurt kende en ook de bewoners, een wereld in dromenland.' Ook deze vrouw, volgens haar moeder te onaantrekkelijk om aan de man te komen, krijgt een op ongelijkwaardigheid gebaseerde relatie.

Bij haar pogingen om toegelaten te worden tot de universiteit ontmoet ze een oudere professor die haar, louter op grond van haar exotische uiterlijk, als minnares wil.

Zoiets hoeft van Ombre niet per se verkeerd uit te pakken, het kan ook vleiend zijn. `Eensklaps verloor ik mijn onzekerheid. Die gleed van me af als mijn ondergoed even tevoren. Onder zijn blik voelde ik me voor het eerst van mijn leven mooi.'

Ellen Ombre: Valse verlangens. De Arbeiderspers, 168 blz. ƒ29,95